A. J. Finn – The Woman in the Window

Er zijn verschillende redenen om een boek vijf sterren te geven. Eigenlijk zou de grootte van de sterren moeten variëren, of het materiaal waarvan ze zijn gemaakt. Zodat je een meesterwerk als The Ministry of Utmost Happiness diamanten sterren zou kunnen toekennen, de briljante en warme romans van Hoffman en Perry gouden sterren, How to Write a Million sterren van roestvrij staal, en dit boek …

Oh, wat is het heerlijk om na moeizaam geworstel door een boek dat het uiteindelijk niet echt de moeite waard maakte, een simpele thriller ter hand te nemen en je te laten meeslepen, elk vrij moment benuttend om te lezen, tot in het ziekenhuis aan toe. Ik heb dat maar zó zelden! Het boek werd me aangeraden op twitter, schot in de roos.

Anna Fox is kinderpsycholoog, maar ze zit nu al een jaar thuis. Getraumatiseerd, last van pleinvrees, zwaar aan de medicijnen en aan de merlot. Haar enige contacten gaan via internetfora: Agora voor lotgenotencontact, en een schaakforum. Ze kijkt graag oude zwartwitfilms, onder andere van Hitchcock. Met de zoomlens van haar camera begluurt ze de overburen in haar New Yorkse straat met grote dure huizen. Bij haar wordt de kelderverdieping bewoond door David, die hand- en spandiensten voor haar verricht.

Het verhaal komt wat langzaam op gang, denk ik aanvankelijk. Het is een thriller dus wanneer wordt die moord nu eens gepleegd? Pas achteraf besef ik hoe uiterst vakkundig ik door het begin ben in-gewikkeld. In de luren gelegd, zogezegd. Want wat heeft de plot een hoop 'twists' in petto! En elke keer schokkender. Het is zó goed gedaan. Het is Gaslight en Rear Window en Vertigo ineen.
En daarbij is het ook nog eens prachtig geschreven, beeldend en zintuiglijk, vol heldere vergelijkingen. De slotscène kan zó in de film.
Vijf sterren van glasscherven!

Geplaatst in recensies | Getagged , | 2 Reacties

Amor Towles – A Gentleman in Moscow

Vanmorgen, toen ik de vraag van Anna beantwoordde over het meeleven met romanpersonages, schreef ik: "Ik lees nu A Gentleman in Moscow en leef ontzettend mee met graaf Rostov, en ook met verschillende andere personages. Tegelijk voel ik een zekere afstand die – denk ik - te maken heeft met de archaïsche manier van schrijven."

Nu heb ik het boek uit en vraag ik me af: vond ik het echt prachtig? De vraag stellen is hem beantwoorden natuurlijk. Het was me oorspronkelijk aangeraden door een lid van mijn Houstonse leesclub, en boekbloggers Bettina en Anna waren zeer lovend. Moet ik nu weer zonodig roet in het water gooien? Kan jij nou nooit eens gewoon …

Een Russische graaf wordt na de revolutie tot levenslang huisarrest in Hotel Metropole in Moskou veroordeeld. Hij slijt er tientallen jaren, en weet zijn bestaan rijk en zinvol te houden door de omgang met diverse mensen uit alle lagen van de bevolking. Van eregast wordt hij lid van het personeel, van ongetrouwde edelman wordt hij een zorgzame vader … What's not to like?

Maar waarom duurde het dan zo lang om het uit te krijgen? Waarom liet ik me weer door van alles afleiden?
Ik blader door alle vijfsterrenbesprekingingen op Goodreads. Af en toe is er eentje van 3 sterren. Te sprookjesachtig. Te zoet. Te weinig plot, te veel gemijmer. Iemand gaat tekeer over het feit dat hij in feite zijn adellijke leventje voortzet, terwijl het volk hongert.
Dan stuit ik op de recensie van Anastasia. Zij laat - als geboren Moscoviet, en op grond van verhalen van haar grootouders – zien hoe onmogelijk het is dat dit sprookje zo heeft plaatsgevonden. De armoede en de honger waren verschrikkelijk, en niets lijkt daarvan in Hotel Metropole door te dringen. En het Kremlin kun je helemaal niet zien vanuit het hotel.

Ik geloof niet dat mijn twijfel alleen daarmee te maken heeft. Voor mijn gevoel zit er geen enkele ontwikkeling in de personages. Ze vervullen hun rol als poppen in een poppenspel en ze leven lang en gelukkig, wat er ook in de buitenwereld gebeurt.
Ik denk nog eens even terug aan Old Filth. Ook zo'n gepriviligeerde mijnheer in een 'zorgeloos' bestaan. Maar oh, wat gebeurt er daar een hoop.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 6 Reacties

Rodaan Al Galidi – Hoe ik talent voor het leven kreeg

Wat heb ik genoten van dit boek. En ik denk meteen aan dat andere boek over asielzoekers, waar ik zo'n vieze smaak van in de mond kreeg.
Al Galidi maakt het niet mooier dan het is, het lot van de Iraakse asielzoeker Semmier Kariem, die pas na 9 jaar azc een verblijfsvergunning krijgt. De contacten met de autoriteiten zijn Kafkaësk, het werkeloze wachten eist zijn tol, zowel lichamelijk als geestelijk. Hij laat ons kennismaken met heel veel verschillende asielzoekers, ieder met zijn of haar eigen problematiek, ieder met zijn of haar eigen manier om met de autoriteiten en het wachten om te gaan.
Toch wordt het boek nergens larmoyant of veroordelend. Hij beschrijft wat er gebeurt, meer niet. En dat in prachtige bewoordingen, in vlekkeloos Nederlans, in een mooi gestructureerd verhaal. Het begint met de aankomst op Schiphol (Kafka), dan de begintijd waar hij verblijft op een boerderij en Nederlandse les krijgt van het dochtertje des huizes (haar woordjes staan op de omslag), vervolgens het azc, een vluchtpoging, een isoleercel – en daar denkt hij terug aan de 7 jaar rondreizen na zijn vlucht uit Irak, via Thailand en Vietnam – weer het azc …
Mensen die geboren worden met goede paspoorten zullen nooit weten hoe scherp de tanden van deze wereld zijn, zegt hij ergens. Maar hij zit ook vol zelfspot, is even kritisch over Irakezen als over Nederlanders, en laat zien welke trucjes de asielzoekers hebben om de autoriteiten om de tuin te leiden (zielig doen, overdrijven en liegen).
Door de lichte, poëtische en geestige toon – misschien alleen mogelijk als je in een taal schrijft die niet je moedertaal is – weet Al Galidi je als lezer onder te dompelen in het leven van een asielzoeker, doorgebracht in een azc met 500 bewoners, slapend met 4 mannen op een kamer, met elke dag meldplicht, en elke dag wéér geen post van IND.
Toen ik voor het eerst van dit boek hoorde (door de uitzending met Adriaan van Dis) zette ik het direct op het lijstje omdat de schrijver zo'n bijzonder mens was. En zo schrijft hij ook.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 7 Reacties

Dola de Jong – Thuiswacht

De Thuiswacht van Dola de Jong is deze maand 'mijn' leesclubboek, waarvoor ik dus – in navolging van Senia – een leeswijzer moest samenstellen.
Omdat ik even geen puf heb die nog weer om te zetten naar een gezellig blogje, zet ik hem hier neer, in de hoop dat meer mensen er iets aan zullen hebben.
Ik vond het een fijn boek om te lezen, maar vond En de Akker is de Wereld toch veel boeiender.

Geplaatst in recensies | Getagged , | Een reactie plaatsen

Frija’s dagboek (19)

Ik heb nu zoiets spannends gedaan! Ik ben Buiten geweest!
Het begon ermee dat de vrouw een riempje had gekocht. Een rood riempje, ik wilde er graag mee spelen, maar dat was niet de bedoeling. Ik moest het óm. Dat vond ik niet fijn, het zat gelukkig veel te los dus ik wurmde mij eruit. Toen ze het de volgende dag weer probeerde, zat het strak. Ik kon er niet meer uit. Ze maakte het lange riempje eraan vast en deed … de deur van het balkon open. Ze zette mij op de tegels en dacht dat ik daar blij van werd. Raar mens. Ik vond het gatsidakki eng! Ik begon helemaal te bibberen! De wind woei koud in mijn oortjes, er waren zulke harde geluiden en ik rook zoveel door elkaar! De vrouw bracht mij gauw weer naar binnen.
Dat was dat.
Dacht ik.
Maar nee hoor, volgende dag weer. Weer gatsidakki eng. Ik wist niet dat ik zoveel bibbers in mij had.
En gister wéér! Ik had intussen gehoord dat ze aan Kleine Vrouw (dat is het zusje van Vorige Poes) vertelde dat ze zo graag in de zon wil zitten. Dan moet de deur dus open, en dan mag ik niet ontsnappen en van vierhoog naar beneden springen (dat zou pas écht vliegen zijn!), dus moet ik aan de riem. Weer kreeg ik alle bibbers. We gingen weer naar binnen maar de vrouw liet de deur open en zat met haar ogen dicht in de zon. Dat snap ik wel, dat vind ik ook fijn. Ze zei niks. Ik snuffelde aan de lucht en spitste mijn oortjes. Hoorde ik daar vogeltjes? Voorzichtig ging ik op de drempel zitten. Nog meer vogeltjes, nog meer luchtjes. Ik stapte over de drempel en voelde nu pas hoe heerlijk de tegels, ik rolde op mijn rug heen en weer. Ik snuffelde aan alle bloempotten en aan het potje dat vol water stond. Er was zovéél. Ik geloof ... dat Buiten mijn lievelings wordt!

Geplaatst in autobio | Getagged | 4 Reacties

Rumer Godden – In this house of Brede

Wat is Rumer Godden toch een wonderlijke schrijfster. Dit is het derde boek (1, 2) dat ik van haar lees, en ze doet werkelijk alles wat God verboden heeft. De god van de schrijfregeltjes dan. Niks ankeren, niks duidelijk vertelperspectief, niks een of twee hoofdpersonen om mee mee te leven, niks duidelijke tijdlijn … en dat is precies wat dit verhaal nodig heeft om zo te werken als het doet.

In This House of Brede geeft een beeld van het leven in een Benedictijns nonnenklooster van begin jaren vijftig tot eind jaren zestig. Nee, dat het een beeld geeft is niet goed geformuleerd. Het neemt je mee, het dompelt je onder. Net zoals de nonnen ieder jaar hetzelfde rad van hoogtijdagen volgen, net zoals de nonnen samen leven, elkaar liefhebbend zonder ooit één speciaal iemand lief te hebben, zo leef je als lezer dat leven met hen mee.

Er zijn wel wat belangrijke plot-punten: het geldgebrek in het klooster, het gezamenlijk bidden voor een doodzieke jonge vrouw, de kunstenaar die de kerk komt verfraaien met beeldhouwwerk, de novicen uit Japan, het wetenschappelijk werk van de een, het zingen van de ander, van weer een ander de weefkunst … maar het rad draait door.

Als er al een hoofdpersoon is, dan is dat Philippa Talbot met wie het boek begint en eindigt, een laat geroepene, weduwe, wier levensgeschiedenis heel lang het zijn van een goede kloosterzuster in de weg zit. Maar ze is een van de velen, het wordt ons bijna niet toegestaan in haar speciaal geïnteresseerd te zijn.

Ik heb ervan genoten, en me weer eens verbaasd over wat voor manieren van schrijven er allemaal mogelijk zijn.

Geplaatst in recensies, schrijven | Getagged , | 2 Reacties

(auto)-immuun

Het hebben van kritiek op iemand is voor mij nooit veilig geweest. Thuis kreeg ik regelmatig het verwijt dat ik 'zo kritisch' was. Terwijl paps zelf natuurlijk gewoon de hele familie- en vriendenkring mocht afkraken. Ik was negentien toen ik voor het eerst voor mezelf opkwam, en dat met angst, beven en tranen. Ik luister altijd met jaloerse verbazing naar mensen die gewoon tegen hun ouders durven zeggen 'doe niet zo raar' of 'nee, daar klopt helemaal niks van.'
Het blijft een doorgaande lijn in mijn leven. Kritiek inslikken want anders …
Wat een verrukking was het om in mijn Trouw-columns eindelijk te mogen en durven schrijven wat ík vond. En bijval te krijgen! Ik kan nu ook nog zó blij zijn met bijval op Twitter, Facebook of mijn blog. Ik ben niet gek of ondankbaar of te kritisch.

Nu is het alleen nog de kunst om dat aan mijn lichaam te vertellen. Want ik kom er steeds meer achter dat ik niet alleen een auto-immuunziekte héb, maar er ook een bén. Onterechte aanvallen van op hun pik getrapte ego's leiden bij mij nog altijd tot angst, beven en tranen. (Niet zo handig als je het scheldbericht ontvangt net voor de dokter je bloeddruk gaat meten.)

Toen ik net op de plee zat, en het blaadje van vandaag op de scheurkalender "365 dingen die je als boekenlezer moet weten" las, zag ik dat daar een fikse fout op stond (niet de eerste ook, trouwens). De roman De Tijgerkat zou pas in 2012 in het Nederlands vertaald zijn. Ik wist toch zeker dat ik hem had gelezen toen ik nog op de biep werkte (voor 1990 dus). Even googelen en de eerste vertaling bleek van 1959!
Ik heb het even doorgegeven aan Lidewijde Paris. En betrapte me erop dat mijn hart begon te bonken en mijn hoofd gloeide.

Nog altijd niet veilig.
Iemand een goeie therapie in de aanrading?

Geplaatst in autobio | Getagged | 6 Reacties

Frija’s dagboek (18)

De vrouw denkt nog steeds dat er plekjes in huis zijn waar ik nooit zal komen, maar ik kom natuurlijk overal! Ik moet toch weten of daar geen gevaarlijke monsters zijn of lekkere vogeltjes? Ik denk dat vogeltjes heel lekker zijn, of tenminste mijn bekje denkt dat. Het gaat vanzelf mauwen en kwijlen als mijn ogen een vogeltje zien.

Maar ik ben dus op de koelkast geweest! Dat is vreselijk leuk, want alle magneetjes waar ik van beneden af net niet bij kan, kan ik er nu van bovenaf af gooien. Sommige zijn heel leuk om mee te spelen. En vanmorgen ben ik op de hoge vensterbank op de slaapkamer geweest. De springveren in mijn voetjes worden steeds sterker, ik sprong er zomaar vanaf het bed bovenop, de vrouw schrok ervan dat ik zomaar boven haar hoofd was!

Gister hebben we heel fijn samen geknutseld. Zij deed iets met draadjes en ik kwam er niet eens aan. Heel soms kan ik dat. Vooral als ik slaperig ben. Onder haar knutseltafel staat een krukje, tegen de verwarming aan, en daar slaapt het zo heerlijk … Maar gisteravond kon ik het niet. Ze ging tekenen en ik móest met het potlood. Dat heb ik soms ook als ze aan het lezen is, dan móet ik opeens met de tablet.

Nu zit zij dit te typen en ik kijk zoet toe. Dat komt van al dat klimmen vanmorgen, dan moet ik eerst weer even uitrusten. Maar binnenkort ga ik de laatste hoge plekjes veroveren. Hoge plekjes zijn mijn lievelings!

Geplaatst in autobio | Getagged | 3 Reacties

ziekzeurtje (4)

Ik las een prachtig stuk in de New York Times over wat het betekent om chronisch ziek te zijn, hoe mensen daarop reageren, en waardoor dat komt.
Ik maak het zelf ook regelmatig mee: zou ik niet beter worden als ik meer wandelde? Abrikozen at? Aan yoga deed? Bietensap dronk? Een leuke cursus ging doen? Meer onder de mensen kwam?
Al doen zulke opmerkingen nog zo'n pijn, ik denk – dacht – altijd: ze bedoelen het goed, ze hebben alleen geen idee hoe ik me voel. Maar dit artikel maakt duidelijk dat er iets anders achter zit.

Mensen willen koste wat kost de controle behouden. Een chronische ziekte betekent juist dat je alle controle – en de wil daartoe – moet laten varen. Het is wat het is, je moet ermee leren omgaan en dat is voor iedereen anders. Gezonde mensen kunnen dat idee niet aan. Dus komen ze met de maatregelen die hen altijd zo goed helpen, en zie maar! Het werkt! Zij zijn gezond! Dan hoeven ze zich niet te verhouden tot ziekte en machteloosheid, ze kunnen elkaar hoofdschuddend aankijken over het onverstand en de zwakheid van de zieke. Als die zich nu maar eens aanpakte.

Pas schreef ik in mijn dagboek: ik ben al een heel leven bezig mezelf te genezen. Dat ik depressief was, was mijn eigen fout, wie kon er in zulke luxe omstandigheden nu in vredesnaam depressief zijn? De eerste vraag van de counsellor: hebt u al eens aan vrijwilligerswerk gedacht, mevrouwtje?
Dat ik zo'n last van mijn nek had kwam niet door het ongeluk van 1980, het kwam door mijn gebrek aan flexibiliteit. Als ik nu maar eens ophield met me te verzetten zou het allemaal wel overgaan.
Altijd heb ik mezelf schuldig verklaard. De laatste jaren ben ik erachter gekomen dat dat onterecht was. Maar de buitenwacht neemt het moeiteloos over. Dat ik zo moe ben komt niet van de auto-immuunziekte maar doordat ik te weinig sport. Dat ik pijn heb ook, trouwens.

De buitenwereld helpt ook van harte mee. Hoe hoog leg jij de lat? Haal jij wel alles uit je werk? Participeer je wel? De vraag is nooit: wat draag jij bij aan de schepping? Hoe maak jij de wereld mooier? Nee, je moet "productief" zijn. Werkloosheid is het ergste, dan besta je niet meer. Als chronisch zieke voel je je constant beoordeeld, een oordeel dat meestal negatief uitvalt of neerkomt op ongeloof. Als je nu maar wilde mediteren of magnesium slikken of smoothies drinken.
Kreeg iedereen maar eens héél even de tering.


Geplaatst in autobio | Getagged , | 11 Reacties

Tim Parks – In Extremis

Dit is weer zo'n boek waarvan ik eigenlijk helemaal geen zin heb om een bespreking te schrijven. Niet omdat het niet mooi was, of niet goed geschreven … maar omdat het me uiteindelijk niets deed. Wel tijdens het lezen. Het overlijden van je ouders, het bezoek aan ziekenhuis of hospice, het einde afwachten, keuzes maken voor de begrafenis … het boek brengt het allemaal weer even terug.

Het is eigenlijk één lange stream-of-consciousness van de verteller, een nauwelijks verhulde Tim Parks. Tom Sanders heeft in elk geval dezelfde onverklaarde bekkenpijnklachten als door de auteur beschreven in Teach us to sit still, en ook de gezinnen van herkomst vertonen overeenkomsten (dat weet ik uit zijn boek Where I'm reading from).

Running gag in het boek is de anale-massage-staaf en het feit dat Tom zo'n moeite heeft met plassen. Beetje anaal gefixeerd typje wel. In recensies vinden ze dit allemaal blazingly funny. Zo'n kind dat de hele tijd POEP durft te zeggen.

Wat hij vertelt over zijn moeder, en zijn relatie met haar, is mooi en ontroerend. Wat hij vertelt over zijn prille liefde voor een veel jongere vrouw ook. Wat hij vertelt over zijn vak als linguïst (hij bezoekt een congres in Berlijn) is interessant. Maar zoveel meer bladzijden en scènes en intriges (een hele plotlijn over een overspelige vriend en zijn al-dan-niet homoseksuele zoon) zijn vervelend. Het is een boek dat je net zo goed wel als niet kunt lezen.

Geplaatst in recensies | Getagged , | Een reactie plaatsen