leeservaringsverhaal

Ik las weer twee boeken naast elkaar: Wil van Jeroen Olyslaegers (voor de leesclub), en The Map of Salt and Stars van Jennifer Zeynab Joukhadar (recensieboek). Ze hebben bijna niets gemeen, behalve het feit dat ze over oorlog gaan, over de verschrikkingen die mensen elkaar aandoen.

Aanvankelijk was ik erg gecharmeerd van Wil. Dat kwam vooral door het overrompelende taalgebruik van de verteller, dat me deed denken aan Dimitri Verhulst. Joukhadar trok me op een heel andere manier het verhaal in: duizend-en-een-nachtig, sprookjesachtig, een verhaal dat begint met een landvormig stuk poëzie, een fragment uit een legende, en een vertelster met synesthesie, de 12-jarige Nour.

In Wil is de verteller een stokoude man, die aan zijn achterkleinzoon probeert uit te leggen hoe het was om in de Tweede Wereldoorlog politieman te zijn in Antwerpen. Schipperen tussen twee kanten om het eigen hachje te redden, goed doen maar ook kwaad doen. Hij lepelt zijn soms gruwelijke herinneringen op in sappig, grofgebekt Vlaams, hij moet het kwijt, en op een gegeven moment heb ik er opeens genoeg van. Wat schiet ik hier mee op? Wat wil de schrijver met dit boek?
Zelf zegt Olyslaegers er dit over: "Mijn boek is bedoeld als potentieel bewustzijnsverruimend. Ik probeer boeken te schrijven die je ideologische firewall uitschakelen. Zodat het boek echt binnenkomt, en de nodige schade of plezier veroorzaakt. Het is soms in het leven moreel noodzakelijk dat je ergens een grens trekt, maar het geeft wel tunnelvisie, hè."
Hij wil dus laten zien dat goed en fout niet altijd zwart en wit zijn. Ik heb bij sommige schrijvers het gevoel: wil je nu alwéér het wiel uitvinden? Laten zien hoe goed je zelf nadenkt over dingen? Beter De Val nog eens herlezen.

Bij Joukhadar hoef ik niet te vragen wat zij wil of bedoelt. Zij laat Nour vertellen wat er gebeurt, als je huis in Homs gebombardeerd wordt, zodat je op de vlucht moet slaan. Wat er met meisjes kan gebeuren, maar ook met mannen, met vaders. Waar hoor je als je thuisland geen thuis meer biedt? Waar vind je houvast? Nour vindt dat in een oude legende die haar vader haar vroeger vertelde, over een heldhaftig meisje dat in het gevolg van Al-Idrisi een lange expeditie rondom de Middellandse Zee maakt. Delen uit die legende beginnen ieder hoofdstuk, en de avonturen van Rawiya lopen min of meer parallel met die van Nour.
Bijzonder detail: zowel Rawiya als Nour vermommen zich als jongen, omdat dat veiliger is. Ik zocht voor de recensie gegevens op over de auteur, en zag dat zij inmiddels als man door het leven gaat. Ook heeft zij, evenals Nour, een islamitische vader en een christelijke moeder.
Zelf zegt Joukhadar: […] "this book is a kind of doorway, hopefully the first of many works they’ll read to understand the situation in Syria and the Syrian people better. In other words, this book is only a starting point, and I hope it encourages readers to seek out the writing of people born and raised in Syria and of refugees in their own words."
Haar boek kan ogen openen voor het onbekende.

Ik kreeg steeds meer moeite om Wil uit te lezen. Ik miste diepere lagen, en ik voelde eigenlijk voor niemand van de personages sympathie of mededogen.

Het kan er ook aan liggen dat ik heel vaak bij boeken die in het Midden-Oosten spelen, een gevoel van herkenning en thuiskomen heb. Landscape of my heart. Amman, de ferry van Aqaba naar Nuweiba, de kleuren van de woestijn … Maar het is toch vooral Nour, met haar manier van kijken naar de wereld, haar liefde voor haar familie, die mijn hart steelt. Mijn hart huilt bijna nooit meer om boeken, maar hier raakte ik meerdere malen ontroerd.

Geplaatst in recensies | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

het afgewezen lichaam

Zoals zo vaak kwam The Rejected Body tot mij via twitter, en wel via een tweet van Asha ten Broeke. Ze had geschreven over het feit dat mensen met astma last hebben van houtkachels, en of daar misschien een beetje rekening mee kon worden gehouden.
En dan weer de verwachte reacties over slachtofferschap.
"Zowel bij vuurwerk als bij houtrook zijn het vaak zieke en kwetsbare mensen die het meest lijden. Is dat toeval? In haar boek The rejected body stelt Susan Wendell dat veel aspecten van onze samenleving impliciet georganiseerd zijn rond de aanname dat iedereen een gezond, sterk lichaam en brein zonder beperkingen heeft."

Ik was er al een paar weken in bezig toen het prachtig aansloot op een Facebookpost van het Ministerie van VWS.
"Voor de serie Powervrouwen interviewen we sterke jonge vrouwen die ondanks hun ernstige ziekte niet bij de pakken neerzitten. Ze blijven vechten voor hun toekomst en zijn daarmee een inspiratie voor anderen."
Er kwamen meteen reacties op.
Hetty Schellekens schreef:
De norm bij een ernstige ziekte is dat je moet strijden. Dan krijg je bewondering.
Voor mij is een powervrouw een vrouw die haar ernstige ziekte leert verdragen en hanteren. Die de regie over haar behandeling ... en nieuwe leven leert vinden. Dat verdient een lintje.

Astrid Meijboom schreef:
Ik denk dat veel mensen niet geconfronteerd willen worden met pijnlijke dingen zoals gezondheidsproblemen en in een bubble willen zitten waarin ze geloven dat je zelf alles in de hand hebt. En als ze dan naar zulke voorbeelden kijken is dat denk ik voor hen geruststellend. Tegelijkertijd worden mensen die daar niet toe in staat zijn de schuld gegeven van hun situatie, dan hadden ze maar dit of dat moeten doen. Terwijl als ze daar toe in staat waren ze daar hoogstwaarschijnlijk wel voor gekozen hadden. Triest vind ik het.

En ik schreef:
Ik ben hier net een goed boek over aan het lezen, The Rejected Body van Susan Wendell. Gezonde mensen kunnen ziekte en handicaps bij anderen alleen accepteren als diegenen "een inspiratie" zijn. Ik ga erover bloggen!
Ik plaatste hierbij een citaat van Wendell over disabled heroes.
Ik vertaal en verkort het even voor de leesbaarheid.
"Gehandicapte Helden symboliseren een heroïsche controle over hun lichaam, en stellen daarmee de niet-gehandicapten gerust: je kan je lichaam overwinnen. Meestal worden ze vereerd om lichamelijke prestaties (mensen als Stephen Hawking en Helen Keller uitgezonderd). Ze kunnen inspirerend zijn voor andere gehandicapten, maar vooral geven ze de niet-gehandicapten de valse indruk dat je je beperking kunt overwinnen.
Gehandicapte helden verkeren meestal in bijzondere sociale, economische en fysieke omstandigheden die voor gewone mensen niet haalbaar zijn. Zij zijn al zoveel energie kwijt aan het leven met hun beperking dat er voor zulke heroïsche prestaties niets overblijft.
Gehandicapte Helden doen het voorkomen alsof er niet veel verschil is tussen hen en niet-gehandicapten, maar in werkelijkheid vergroten ze juist het verschil."

Dit zijn de belangrijkste thema's in het boek:
1) Het feit dat de hele maatschappij is ingericht op – dare I say it – gezonde, jonge, witte mannen, dat de dingen waartoe zij in staat zijn de norm vormen van wat een 'normaal' leven is.
2) Dat gehandicapten zo 'anders' (Wendell gebruikt steeds het woord Otherness) zijn, dat niet-gehandicapten hen vrezen en zich niet kunnen voorstellen dat zij ook een goed leven kunnen leiden.

Hoe definieer je gehandicapt? Of welke term nu geaccepteerd is, "met een beperking"? Ik zoek het op. Wendell zegt over deze steeds veranderende termen: we zijn steeds op zoek naar een uitdrukking die de indruk wekt dat alles okee is. Maar, zegt ze, I regard denial as far more dangerous than feeling angry, sad, or envious. (p81)
Als jouw beperking geen geaccepteerde diagnose heeft, krijg je geen erkenning, laat staan hulp. Het zal wel tussen de oren zitten bij je.
Wat versta je onder "zonder beperking"? Dat je zo fit bent als een gezonde jongeman? Ben je dan als oudere vrouw, die nog best door zou kunnen werken als er maar ruimte was voor een middagdut en een fatsoenlijke bureaustoel, gehandicapt? Dit zijn maatschappelijk geconstrueerde definities!

Ook zit er een veroordeling in bepaalde terminologieën. Iemand die 'chronisch ziek' is, heeft blijkbaar de moed opgegeven. Strijdbaar moet je zijn, anders wil je zeker niet beter worden!
Bovendien zijn we – is de medische wetenschap – zo gefocust op genezing, dat er eigenlijk geen voorbeelden zijn van hoe om te gaan met chronische ziekten of blijvende handicaps. En men staat al helemaal niet open voor het idee dat gedachten en stemmingen van iemand in deze positie ook waardevol kunnen zijn. Dat een ziek of gehandicapt persoon 'ways of knowing' heeft die voor de gezonde jonge mens totaal onbekend zijn.

Handicaps of beperkingen worden gedefinieerd aan de hand van wat maatschappelijk 'normaal' gevonden wordt, en wat daar dus van afwijkt. De normen voor fysieke normaliteit zijn in feite een ideaalbeeld. Dit heeft invloed op het zelfbeeld (denk bijvoorbeeld ook aan piepjonge meisjes die op dieet gaan). Zo wordt de lat voor 'normaliteit' steeds een stukje hoger gelegd. Je wordt verondersteld je te schamen voor de wijze waarop jouw lichaam afwijkt van de norm. (Vier jaar prednison heeft op mij ook zijn uitwerking gehad. Best moeilijk om daar niet moeilijk over te doen.)

Mensen kunnen zo moeilijk accepteren dat je het lichaam vaak helemaal niet onder controle kunt houden. Ze overladen je met adviezen, en als je die niet opvolgt, wil je zeker niet beter worden.
Met psychosomatische ziekten is het nog erger: als de medische wetenschap je niet kan genezen, ligt de fout zeker bij jou en je zieke geest.
Als je er als zieke in slaagt een zinvol leven voor jezelf te creëren, heb je er vast baat bij om ziek te blijven. Maar als dat je niet lukt, ben je er zeker nog psychisch ziek bij ook. Gezonde geest in gezond lichaam blijft ons maar achtervolgen. Catch 22!

Dan is er nog het overal gepropageerde idee dat als je maar gezond leeft en goed voor je lichaam zorgt, je fit zult blijven tot aan je dood. Mocht je toevallig toch ziek worden, dan heb je natuurlijk niet goed je best gedaan. Als je blijvend ziek of gehandicapt raakt, kwets je eigenlijk iedereen om je heen, al die mensen die zo hun best deden om je beter te maken.
Wendell ziet de hedendaagse cultuur van perfectie juist als een geestesziekte. Hoeveel beter zou het leven zijn als we allemaal accepteerden dat de ziekten en beperkingen gewoon bij het leven horen.

Vroeger werd aangenomen dat iemand die in bed bleef, daar een goede reden voor had. Nu ben je pas echt ziek als je een medische oorzaak en behandeling krijgt. Maar de medische wetenschap is helemaal niet geïnteresseerd in kwalen die ze niet kan genezen.

Tegenwoordig zijn autonomie en onafhankelijkheid zo veelgeprezen (denk aan al die bejaarden, eenzaam in hun oude huis). Maar zijn dat eigenlijk wel ethische idealen, zogenaamd 'universeel' geldig, maar dus niet voor mensen met bepaalde lichamen?

En waarom komt er steeds meer nadruk te liggen op het voorkomen van beperkingen door prenatale screening? Geeft dat niet aan dat 'men' het leven van een gehandicapte niet de moeite waard vindt? Gaat dat er niet toe leiden dat er steeds minder gehandicapten zullen zijn, waardoor de zorg voor hen steeds minder zal worden?
Door ziekte of ongeluk kan iedereen gehandicapt raken (denk maar aan de recent uitgezonden docu's "Stuk").
Doordat veel mensen ervan uitgaan dat het leven met een chronische ziekte of beperking niet de moeite waard is, zal er steeds minder worden ingezet op betere zorg. Ik werd een tijd geleden gebeld door een oude kennis, die – lief bedoeld – vroeg of ik het leven nog wel de moeite waard vond zo. Ik schrok ervan. Ik ben een paar keer depressief geweest, de afgelopen jaren, en beide keren kwam het door nieuwe medicatie. Natuurlijk zijn niet alle dagen makkelijk, natuurlijk ben ik wel jaloers als anderen over hun verre reizen vertellen. Maar mijn dagen zijn goed en zinvol gevuld, de ongemakken zijn te dragen, er is nog genoeg om van te genieten. Ik acht mij bevoorrecht.

Ik zou willen dat hierover veel meer geschreven werd. Ik zou willen dat ze zich bij het Ministerie van VWS realiseerden hoeveel dat stuk kan maken, zo'n achteloos geplaatst stukje over powervrouwen.
Zoals Samantha Stratman schreef: De suggestie wordt idd gedaan dat je pas een powervrouw of mens bent als je ondanks ziekte, een berg opfietst of iets anders doet wat zelfs voor niet zieke mensen een flinke kluif is ... nu zijn voor mij alle mensen die ondanks ziekte elke dag een lach op gezicht hebben en proberen te doen wat mogelijk is in het leven powermensen. Ik geloof dat dit soort voorbeelden voor de mindergelukkigen qua ontwikkeling van de ziekte klap in het gezicht is.

Geplaatst in autobio, recensies, tijdgeest | Getagged , , | 8 Reacties

Jane Gardam – Crusoe’s Daughter – leeservaringsverhaal

Ik was begonnen in Kate Morton – The House at Riverton, en amuseerde me zoals ik soms naar series kijk op tv: met één oog. Met het andere ben ik dan aan het twitteren of pinteresten, of ik ruim intussen de vaatwasser in. De serie is leuk en gezellig maar gaat me niet aan het hart. De sfeer in het boek is Downton-Abbey-achtig, maar dan op afstand. Na een half boek kan ik niet beoordelen of deze perspectiefkeuze terecht was, maar hij maakt wel dat de personages me niet veel kunnen schelen. Een stokoude vrouw kijkt terug op haar leven, nadat ze door een fimmaakster is benaderd om de sets te beoordelen van de film over het huis waar zij ooit dienstmeisje was, en waar een dichter zelfmoord pleegde.

Toen ik dan ook een mailtje kreeg van de biep dat Crusoe's Daughter was gearriveerd, legde ik Morton meteen aan de kant.
En oh, Jane Gardam, wat ben je toch geweldig.
Waar Morton tamelijk vermoeiend begint met een film treatment, gevolgd door een brief van de regisseuse, en dan een nachtmerrie van de vrouw over wie het gaat, valt Gardam letterlijk met de deur in huis.
I am Polly Flint. I came to live at the yellow house when I was six years old. I stood on the steps in the wind, and the swirls of sand, and my father pulled the brass bell-knob beside the huge front door.
Nu ik het overtyp bedenk ik pas: wat een mooie naam ook, voor de dochter van Robinson Crusoe (die ik overigens nooit gelezen heb). Flint. Vuursteen.

In een biepboek mag je natuurlijk niet strepen, dus ik heb niet allemaal citaten bij de hand om mijn betoog mee te onderbouwen. Maar het is een boek vol onvergetelijke personages, over wie je állemaal wel een heel boek zou willen lezen (net als in Old Filth).
De moederloze Polly komt in huis bij twee oude tantes. Ze gaat niet naar school maar wordt thuis goed onderwezen. Bovendien zijn er boeken, en Robinson Crusoe wordt haar bijbel. Het huis staat vlak aan zee, ze groeit echt geïsoleerd op. Pas later maakt ze kennis met andere families.
Ze vertelt over haar leven, zo levendig en nuchter alsof ik naast haar zit. Als er mensen doodgaan, voel ik haar verdriet en ontreddering, zonder dat het ooit tearjerkerig wordt.

Eigenlijk spelen hier dezelfde thema's als in Old Filth. Waar houd je je aan vast als het leven met je doet wat het wil? Wat wordt je levensfilosofie, hoe verweer je je? Waaraan ontleen je geluk? Een leven lang in het gele huis.
Aan het eind van haar leven zit ze in de kamer met de boeken. Ze wisselt van gedachten met haar held.
Crusoe: You know, when my wife died, there were children. There was a daughter. We don't hear about the daughter. What became of her?
Polly Flint: Goodbye, Crusoe, Robin Crusoe.
Crusoe: Goodbye, Pol Flint.
Wat een allemachtig mooi boek.

Geplaatst in lezen, recensies | Getagged , | 2 Reacties

David Gillham – Annelies

Ik heb in mijn leven een aantal dingen als heiligschennis ervaren. De boulevard van Scheveningen, bijvoorbeeld. De zee gedegradeerd tot stadsgeneugte. Het Hallelujakoor als muziek bij een smerige scène in een film (welke het was weet ik niet meer, ik dacht La Grande Bouffe maar dat klopt niet). De hertaling van Couperus ook, denk ik.
En nu dit rare boek: Annelies, a novel of Anne Frank. What if … Anne Frank het concentratiekamp had overleefd.

Ik ken Anne Frank sinds ik een jaar of dertien was, toen ik dat dunne, blauwe boekje uit de grote boekenkast mocht lezen. Ik ging er een conversatie mee aan in mijn eigen dagboek, met de inhoud en met de stijl. Ik herlas het vaak. Later schafte ik de volledige uitgave van haar geschriften aan, en ze werd uitgevuld tot een echt mens. Niet meer alleen de gecanoniseerde Anne, maar ook een gewoon pubermeisje met woede en dweepzucht.

En nu dit rare boek. Het usurpeert Anne, ik kan er geen ander woord voor bedenken, de schrijver eigent zich haar toe en misbruikt haar, al weet ik niet precies waarvoor. Om goede sier te maken met zijn "zes jaar onderzoek" die voornamelijk geleid hebben tot het veelvuldig foutief strooien met Nederlandse woorden?
Ik vind allemaal prijzende citaten op zijn eigen website maar geen enkele bespreking in een krant die ertoe doet. De lovende woorden worden overal letterlijk geciteerd, maar een onafhankelijke bron is er niet voor te vinden. Inmiddels weet ik dat al die boeken die als poignant worden aangeprezen door bestsellerauteurs van wie niemand ooit gehoord heeft, gewoon slecht zijn.
Kirkus reviews prijst het boek maar misprijst de stijl: flat-footed storytelling weakens the impact, en ook Publishers Weekly zegt zuinigjes: It’s a noble effort, but this novel never lives up to the promise of its premise.

De stijl is inderdaad om te huilen. Op zijn minst had hij zijn leger Nederlandse medewerkers even kunnen vragen het Nederlands te corrigeren! Een lijstje:
• onderduiken wordt "onder het duiken" genoemd
• "paapje" voor pappie
• Westerbork "130 kilometers north of Amsterdam"
• VOOR SLECHTS VERTONING (in de etalage van een winkel)
• schuilnaamen

Ook benoemt Gillham regelmatig de meest uiteenlopende dingen als "Dutch." Het boek speelt in Nederland dus natuurlijk hebben ze daar ook Nederlandse moeders, dokters, leraressen ("a skinny Dutch mouse"), dakpannen, trappen, ramen, wandeltempo's en omgangsvormen. In Amsterdam hebben ze Amsterdammertjes, "little ones from Amsterdam," (tiepies een gevalletje Omgevallen Kaartenbak) en een "bustling Dutch citizenry" (p162). Gezellig is "a favorite word of the Dutch." (p189)
Steeds moet Gillham laten zien hoe goed hij zijn huiswerk heeft gedaan, waardoor het boek een sterk opa-vertelt-karakter krijgt.

Hij gebruikt ook zulke lelijke, misplaatste woorden.
(p85) "Mother," Margot suddenly announces, "you're shivering."
(p126)"Her mind hangs blankly in her head like a stone."
(p270) Annes verjaardag. "Dassah has taken a slagroomtaart from the oven."
Het nieuwe servies is Meissen Zwiebelmuster. Echt? Een Duits servies, vlak na de oorlog?
(p334) Hij laat vader zeggen: "I returned your diary for your own private satisfaction, because it was the correct thing to do." (Hij heeft het al die tijd verborgen gehouden, maar nu was het ineens the correct thing to do, en wie praat zo?)
(p369) tears … freely drenching her cheeks …

SPOILER ALERT

Vijftien jaar later woont ze - mede door toedoen van niemand minder dan Cissy van Marxveldt - in New York en ze heeft al vier boeken geschreven maar ze is nog steeds alleen maar beroemd vanwege haar dagboek. Ze heeft de hele tijd signeersessies (waarbij ze de Amerikaanse klandizie met 'liefje' aanspreekt) en lezersbrieven te beantwoorden, in een belabberde stijl (p373) "I couldn't understand what the heck was happening" (2x in 1 brief, en trouwens, 1961, wie schreef toen what the heck in een keurige brief?).
Haar kat heet Her Majesty Wilhelmina en vier regels later Ihre Majestät Mina, iemand draagt "a stylish chapeau."
En passant wordt het raadsel van het verraad van de Achterhuisbewoners ook nog even opgelost.

Soms vraag ik me ook af hoe zuiver op de graat Gillham eigenlijk is. Hij geeft een beschrijving van verschillende Joodse wijken in Amsterdam (voor de oorlog) . "… the haute bourgeois Kultur bastions of the Merwedeplein in the Amsterdam-Zuid, where pampered little girls like Anne and Margot Frank had lived …" (p247)
" … the Transvaal had been home to Jews scrambling up the ladder. Les petits bourgeois juifs on their way up." (Let ook op het strooien van andere talen, gék word je ervan.)
Van Anne zegt hij (p202) "She despised forgiveness." Voor mijn gevoel klinkt daar iets van een veroordeling in door.
Haar nieuwe stiefmoeder vertelt haar: "Anne, you were terribly spoiled when you were a child."

Hij vertelt regelmatig hoe Anne eraan toe is, om dat vervolgens nog eens in een dialoog te presenteren. Jahaa! Nu weten we het wel! In feite is het verhaal totaal plot- en ontwikkelingsloos. Anne is gewoon de hele tijd boos. Scène na scène laat alleen dat zien. De schrijver springt regelmatig het toneel op om ons dat nogmaals uit te leggen. Ze is boos want ze voelt zich schuldig.

Wat wilde Gillham met dit boek? Ik vind een interview. Hij zegt:
Through telling the story of one girl, I hope to tell the story of all the “Annes,” showing the lost potential of the millions who perished. Anne Frank’s legacy is one of hope and I want to show what we are missing in our world today, because of their loss.
En wat wil hij dat we meenemen uit zijn boek?
Anne is a representation of the Holocaust. Six million is but a number, but in reading her diary we see a tragedy. In this book, I hope people will see that Anne is someone we can identify with on an emotional level. She is a very skilled writer as evidenced by her last entry in August 1944. The message of the book, and maybe what Anne Frank tried to tell us is that hope can survive even in the face of destruction, despair, and brutality.

Al deze dingen zijn natuurlijk volstrekt overbodig. Alleen het dagboek lezen is genoeg, en dat is ook nog eens stukken beter geschreven! Dus wat kan dan je motivatie zijn? Onwillekeurig denk ik weer aan Haar Naam was Sarah. Een ethisch volstrekt onverantwoord boek, enkel en alleen geschreven because holocaust sells.

Wat een kloteboek.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 12 Reacties

Rumer Godden – Black Narcissus

Na het toch wat veeleisende Happiness was ik weer even toe aan een meeneemboek, zo'n verhaal dat je vanaf het begin meeneemt, personages die je meteen ter harte gaan, een locatie die interessant is, noem het allemaal maar op. Knap, als een schrijver dat kan!
Ik vond direct soelaas bij Rumer Godden. Wat kán zij toch schrijven!

Van Black Narcissus had ik een vaag zwart-wit filmbeeld voor ogen, broeierige blikken tussen een non en een man. Ik zoek de film even op, en zie dat hij in Technicolor was! En lees dat hij geldt als een erotic drama wat toch niet het eerste is waar ik tijdens het lezen aan dacht.
Het boek gaat veel meer over de invloed van de exotische locatie – aan de voet van de Himalaya, met zicht op de Kanchenjunga (de naam alleen al!) – en kleurrijke bevolking op de nonnen. Als je erotiek ruimer opvat dan alleen seksueel, worden ze allemaal op een andere manier erotisch beïnvloed. Zuster Ruth wordt werkelijk verliefd, zuster Clodagh denkt aan haar jeugdvriendje in Ierland doordat er zoveel dingen zijn die aan hem herinneren, hier een geur, daar een uitdrukking, daar een rode mond, zuster Briony verliest haar hart aan de baby's voor wie ze een soort consultatiebureautje opricht, zuster Philippa wordt bijkans gek van alle mogelijkheden die de tuin haar biedt … En altijd is er die besneeuwtopte Kanchenjunga, hoger en machtiger dan welke God ook.

Het verhaal zit doortimmerd in elkaar, hoe impressionistisch het ook leest. Al in het begin zie je – bij teruglezing – hoe het einde onontkoombaar zal zijn. Godden wisselt naar eigen goeddunken van perspectief (net zoals ze dat in This House of Brede en haar andere boeken doet), waardoor het verhaal iets kaleidoscopisch krijgt en je hoofd net zo duizelt als dat van de nonnen, daar hoog boven de afgrond. Ik schreef het al in mijn bespreking van Old Filth: alleen hele goede schrijvers kunnen (en mogen, wat mij betreft) afwijken van de 'regels.' Bij anderen getuigt het alleen van een gebrek aan talent en vakmanschap.

Ik had in mijn hoofd dat Black Narcissus de naam was van een van de nonnen, maar het is de naam van een parfum. Ik zou het weleens willen ruiken, zo'n geur die tegelijk bedwelmend en bedreigend is.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 12 Reacties

lees je creatiever

Van een van de boekbloggertjes kreeg ik een link naar de website Quiet Revolution, waarop 4 tips om je creativiteit te bevorderen.
Morning Pages staan op één, dat verbaast mij natuurlijk niet. Al moet ik toegeven dat mijn dagboek zo langzamerhand is verworden tot een logboek van kwaaltjes en doktersbezoeken, slechts heel af en toe gelardeerd met iets poëtischers of diepzinnigers. Ik geloof dat ik me tegenwoordig beter uit in beeld dan in taal.

Tip twee gaat over de psychologie van ideeën, en hoe je de beelden in je hoofd kunt gebruiken als ideeëngenerator. Wat er staat over het opkomen van ideeën tijdens lezen of tentoonstellingen herken ik. Dat zijn vaak de momenten waarop ik mijn dagboek erbij pak, om ze vast te leggen. Of ik zet ze in Google Keep, of op Pinterest. Dat worden een soort schatkamertjes buiten mijn hoofd, waar de ideeën met elkaar kunnen converseren. De tip voor het boek The Creative Habit van Twyla Tharp noteer ik ook daar.
Tip vier beveelt het boek Bird by Bird van Anne Lamott aan, een van mijn vroege schrijfboeken.

Het is tip drie die echt aan iets raakt. Het is vaak maar net wanneer je iets onder ogen krijgt. Ik raak vaak gefrustreerd doordat ik te weinig lees van wat ik zou willen lezen. Mijn currently reading lijstje schommelt altijd tussen de 50 en 60 titels. Ik ben meestal bezig in twee romans tegelijk: een recensieboek en een boek naar keuze. En daarnaast begin ik enthousiast in eindeloos veel titels over van alles, vaak aangeraden door Brainpickings. Het geijkte leesmoment daarvoor is vaak een kwartiertje voor de middagdut en dat schiet natuurlijk niet op.

Dan lees ik hoe Ray Bradbury adviseert om de dag te beginnen met een gedicht en een essay, als voeding voor het onderbewuste.
Dus nu lees ik elke ochtend een essay van Virginia Woolf, en geniet me suf van haar even vileine als poëtische woorden.
Sinds Thomas Moore heb ik altijd iets willen lezen van Anne Sexton. Daar ben ik nu maar domweg mee begonnen. Ik wil niet pretenderen dat ik alles begrijp wat ze schrijft, maar de woorden en zinnen raken heel diepe lagen in mij. Het gedicht van vandaag, over Daphne die in een laurierboom verandert, spreekt me zo aan dat ik het een paar keer herlees. Veel van haar woorden of zinnen vinden hun weg naar de schrijfveren van 2020.

Where I Live in This Honorable House of the Laurel Tree

I live in my wooden legs and O
my green green hands.
Too late
to wish I had not run from you, Apollo,
blood moves still in my bark bound veins.
I, who ran nymph foot to foot in flight,
have only this late desire to arm the trees
I lie within. The measure that I have lost
silks my pulse. Each century the trickeries
of need pain me everywhere.
Frost taps my skin and I stay glossed
in honor for you are gone in time. The air
rings for you, for that astonishing rite
of my breathing tent undone within your light.
I only know how untimely lust has tossed
flesh at the wind forever and moved my fears
toward the intimate Rome of myth we crossed.
I am a fist of my unease
as I spill toward the stars in the empty years.
I build the air with the crown of honor; it keys
my out of time and luckless appetite.
You gave me honor too soon, Apollo.
There is no one left who understands
how I wait
here in my wooden legs and O
my green green hands.

Anne Sexton

Geplaatst in creatief, gedichten, lezen, schrijven | Getagged , , | Een reactie plaatsen

leeservaringsverhaal

We hadden vorige week een lezing in het kader van de Literatuurclubs Drenthe, bij wie wij ons als leesclub hebben aangesloten. Hij ging over Old Filth, en werd gegeven door Esmeé van den Boom, die ook de informatiebrochure bij het boek heeft geschreven, dus in die zin verwachtte ik niet veel nieuws.
Maar zij ging in op een heel ander aspect, iets waar ik via kindeke's onderzoek naar narratieve therapie wel iets over wist, maar niet dat het ook bij film- en literatuurwetenschap wordt gebruikt: de Trauma Theory.
Thuis meteen gegoogled natuurlijk, en ik vond meteen een document dat aansloot bij iets wat Esmée tussen neus en lippen door had genoemd: dat deze theorie erg toegespitst is op wat we in de westerse (witte) wereld onder trauma verstaan.

Ik ben nu Happiness van Aminatta Forna aan het lezen, en daar speelt dit gegeven ook een hoofdrol. Hoofdpersoon Attila is een Ghanese psychiater, die er tegenaan loopt dat wat iemand uit een Afrikaans land beschouwt als 'horende bij het leven' voor een westerling meteen een trauma is.
Ik ben erg onder de indruk van het boek, en het kost veel moeite om het te lezen. Het leest als zo'n ronddraaiend swarovski kristalletje dat voor het raam hangt, steeds worden andere facetten belicht van steeds veranderende thema's. Het leest ook als poëzie, waarbij je elke scène als een dichtregel op je moet laten inwerken. Er is vrijwel geen plot, geen narrative drive, dus niets van wat ze in de trauma theory voorstaan: de helende kracht van een logisch en compleet verhaal.
Wel sluit het aan bij een andere onderdeel: dat je trauma vaak niet rechtstreeks kunt bereiken, maar wel via kunst.

Onder een traumaroman wordt verstaan: fictie waarin een diepgaand verlies wordt overgebracht, en de veranderingen die dit in een personage teweegbrengt. Voor Old Filth waren het twee trauma's: hij werd losgerukt uit zijn vertrouwde wereldje in Maleisië, en van zijn verzorgster daar, en hij kwam ook nog eens terecht in een verschrikkelijk pleeggezin. (Een ander voorbeeld van zo'n Raj-wees in de literatuur is Mary uit The Secret Garden.) We zien dat hij door het boek heen verschillende symptomen van PTSS vertoont. Dat hij samen met zijn nichtjes – die ook in dat pleeggezin waren ondergebracht – reconstrueert wat er destijds precies gebeurd is, en hij het verhaal logisch en compleet kan maken, betekent voor hem werkelijk een katharsis.

Zover was ik, toen de post het volgende recensieboek bracht. Over trauma gesproken …

***

Gisteravond begonnen in die roman over Anne Frank. Het begint als een ouderwets meisjesboek, en is gelardeerd met Nederlandse woorden, en niet altijd even goed. Onderduiken wordt bijvoorbeeld 'onder het duiken' genoemd. En ik houd mijn hart vast. Zoveel holocaustboeken (traumaromans, ik denk opeens aan Der Funke Leben van Remarque) zijn immers geldverdienboeken over de ruggen van vermoorden (hierbij denk ik in de eerste plaats aan die walgelijke Tatiana de Rosnay).

Daarna las ik Happiness uit. Het is een indrukwekkend en rijk boek. Alle personages (mensen én dieren) worden met mededogen getekend, ten voeten uit. Het is een boek dat je tijd en moeite ten volle waard is. Als ik dat vergelijk met het vorige recensieboek (ik schreef er al over in mijn bespreking van Old Filth)! Zulke intens vervelende en verveelde personages, zo weinig diepgang en mensenkennis bij de auteur, zo'n verspilling van bomen! Ik herhaal nog maar eens wat Renate Dorrestein schrijft in Dagelijks Werk: "Heel veel schrijvers hebben eigenlijk niks om over te schrijven, daarom verschijnen er zoveel nikserige boeken. Het lijkt me heel armzalig om nikserige boeken te schrijven. Je moet een missie hebben, vind ik."

Lees een uitstekende, inhoudelijke bespreking van Happiness bij Bettina.

Geplaatst in lezen, recensies, schrijven | Getagged , , , | 2 Reacties

Jane Gardam – Old Filth Trilogy

We lezen Old Filth met de leesclub, dus dat heb ik nu herlezen, onmiddellijk gevolgd door deel 2 (The Man in the Wooden Hat) en deel 3 (Last Friends).

De trilogie vertelt het verhaal van twee juristen, Edward Feathers en Terence Veneering, en een vrouw, Elisabeth Macintosh, de latere echtgenote van Feathers, tegen de achtergrond van het Britse koloniale rijk, voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Edward en Betty zijn weeskinderen van de Raj, Terry is op een heel andere manier in het verre Oosten terechtgekomen.
Zij zijn de hoofdpersonen, maar met hen tuimelen nog diverse personages door het universum. Vooral in deel 3 komen we meer over hen te weten: Albert Ross, de raadselachtige dwerg die als een soort duivelse beschermengel altijd om Feathers heen draait, Fiscal-Smith, die zichzelf altijd overal uitnodigt, Dulcie, de vrouw van Rechter "Pastry Willy" die weer de oom is van Betty, en Isobel Ingoldby, nichtje van de familie die Edward zo'n beetje adopteerde toen hij op kostschool zat. Zij zijn de Laatste Vrienden uit deel 3.
Hun levens zijn meer met elkaar verweven dan ze zelf ooit zullen weten. Alleen wij weten dat, dankzij de schrijver die in ons in dit speciale universum rondleidt.

Ik ben nog steeds een beetje buiten adem van bewondering. Old Filth herlezen was bepaald geen straf, het maakte alleen maar nóg duidelijker hoe prachtig dat in elkaar steekt. En ik was nog meer ontroerd door de jeugdherinneringen van Feathers.
Ook heb ik nu meer de gelegenheid om op de technische aspecten te letten. Hoe Gardam van het ene hoofdstuk op het andere komt.
Nadat we hebben meebeleefd – oh, en het belang dáárvan alleen al! Ik lees nu weer zo'n waardeloos recensieboek waar in het heden nog vrijwel niets is gebeurd, maar intussen hebben we zowat alle verledens van alle familieleden voorgeschoteld gekregen, een en al tell, don't show, dus er blijft niets van hangen en het interesseert ons ook totaal niet – hoe Edward op de school van Sir komt, en wordt opgenomen in de familie Ingoldby, zit hij in het volgende hoofdstuk een brief te schrijven, alleen zweeft er steeds een nat donsdekbed voor zijn ogen. Daar eindigde het vorige hoofdstuk mee, dat de vader een dekbed uit het raam smijt, samen met de kat die erop gepiest heeft. Tientallen jaren geleden.

Bij herlezing springen ook schijnbaar onbenullige zinnetjes naar voren.
"Betty became haggard with the subject," staat er, als het over Terry Veneering gaat. (p14)
Wat er precies aan de hand is, weten we (nog) niet. (Aan het eind van de trilogie vraag ik me af of Gardam zélf alles vooruit wist.)

"Yet, all his life regret," staat er, als het over Isobel Ingoldby gaat. (p70) Stiff upper lip in optima forma. Daar is Gardam ook zo goed in. Ik heb me pas opgewonden over het slechte voorbeeld van "show don't tell" in Schrijven Magazine. Dat was één en al "tell," en bovendien ook nog zonder énige kennis van vertelsperspectief. In dat voorbeeld waren het de bijvoeglijke naamwoorden van een onnozele schrijver.
Gardam schrijft: [he] was sent to a terrible place to wash. (p197) Als een schrijver dat schrijft omdat hij te beroerd is om die badkamer te beschrijven, is het een voorbeeld van hoe het niet moet. Maar vanuit het perspectief van Feathers zijn het de enige woorden die hij zal gebruiken, voor een armoedige badkamer in een ziekenhuis. Stiff upper lip.

Tegelijk stapt Gardam ook af en toe het toneel op, als alwetende verteller. Het is net zo als met abstracte schilders. Die leveren ook alleen maar kunstwerken af omdat ze weet hebben van wat er aan hen vooraf ging, omdat ze de techniek van de schilderkunst beheersen, omdat ze beseffen wat ze willen en daarom bewust afwijken van de norm die tot dan toe heerste.
Zo kan een schrijver afwijken van bepaalde 'voorschriften,' zolang hij maar weet dát hij het doet én waarom.
Edward bezoekt een van de achternichtjes met wie hij in een pleeggezin heeft gezeten. Claire bedenkt wat ze moeten eten. Though Teddy never noticed what he ate. "Nor anything else," she said, sadly, and mistakenly. (p128)
Dat mistakenly is zó veelzeggend. Teddy (Edward) merkt álles op, hij doet alleen een leven lang zijn best om alles diep in zichzelf te verbergen. Omdat het anders ondraaglijk is. Dat begint al in zijn jeugd. The past, unless very pleasant, is not much discussed among children. (p50)

In deel 1 zitten we vrijwel steeds in het perspectief van Old Filth zelf. Ook al is er af en toe een alinea vanuit een bijpersonage, dat dient alleen om zijn belevenissen te verduidelijken (of om aan te tonen dat zijn versie of herinnering misschien niet helemaal betrouwbaar is).

Waar een 'normale' trilogie de opeenvolgende avonturen van iemand vertelt, of anders van opeenvolgende generaties, is de Old Filth Trilogy meer een archeologische opgraving. Steeds meer kom je te weten van die oude beschaving, en nieuwe ontdekkingen werpen steeds een ander licht op voorgaande 'feiten.'
Waar we in deel 1 in de geest van Feathers zaten, beleven we in deel 2 en vooral 3 steeds meer wat Gardam zelf beleeft naarmate ze de grond om haar personages heen verder afgraaft. Soms zitten we in hun dromen of herinneringen, soms heb je het gevoel dat we te horen krijgen welke verhalen er over hen verteld worden, door buurtbewoners of andere oppervlakkige toeschouwers.
Dat heeft soms gevolgen voor het meeleven. Je wordt als lezer iets meer op afstand gezet. Maar aan de andere kant weet je soms ook meer dan de personages zelf ooit beseften, en dat zorgt dan weer voor extra ontroering.

Nog even terug naar mijn recensieboek: ik ben inmiddels op een derde. Het verhaal in het heden gaat als volgt: de patriarch van de superrijke familie Whitby is dood. Hij laat zijn fortuin niet na aan alle kinderen uit zijn vier huwelijken, maar aan één van hen: zijn geadopteerde zoon Nick. De echte kinderen in alle staten. Een ervan ontdekt dat ze zwanger is. Een ervan heeft een baantje bij een griezelige blinde schrijver. Oja, en Nick is nergens te vinden. Dat is álles wat er tot nu toe gebeurd is. De rest is flashback. Of liever gezegd backstory, want het wordt ons allemaal meegedeeld. Hoe zielig en bezopen en narcistisch ze allemaal zijn. En hoe rijk. En hoedan.
In het heden gebeurt er niets, en de personages zijn stuk voor stuk verwende, nietszeggende mormels.

Dan terug naar Edward en Terry en Betty en niet te vergeten Albert Ross. Naar het wonder van verweven levens en noodlotten. Feathers hoort op de club twee andere rechters over hem roddelen. "Pretty easy life. Nothing ever seems to have happened to him." (p149)

The Man in the Wooden Hat concentreert zich op Betty, de vrouw van Old Filth. In het Nederlands heet dit deel Een Trouwe Vrouw, en dat is net als de titel van deel 1 – Een Onberispelijke Man - deels waar en deels onwaar. Maar de Engelse titel slaat direct terug op wat ik een van de meest ontroerende scènes vond: als uit de hoed van Albert Ross iets tevoorschijn komt. (Voor mij echt een klap, daarom houd ik het cryptisch.) (De letterlijke houten hoed bevindt zich – in de vorm van een houten zeventiende-eeuws beeld – in een galerie in Delft, waar Edward en Betty verblijven omdat hij iets te doen heeft in Den Haag.)

Het leesplezier van deel 2 zit in heel verschillende dingen. Het leven van Betty, zoveel sprankelender en ontroerender dan Edwards opmerkingen deden vermoeden. De gebeurtenissen waar hij niets van weet. Steeds terugbladeren in deel 1, zo van: dit heb ik eerder gehoord, hoe zat het ook weer.
Over de kinderloosheid van Betty en Edward – door hem in deel 1 'deliberate' genoemd – wordt hier de hartverscheurende waarheid verteld. Mede hierdoor vat Betty een bijzondere liefde op voor Harry, de zoon van Veneering. Op een dag krijgt ze een telefoontje waarin Veneering haar vertelt dat Harry dood is. In deel 1 horen we dat gesprek. In deel 2 horen we dat gesprek nogmaals, maar nu met wat extra zinnen. Harry is omgekomen in Noord-Ierland.

Er zijn voorwerpen die als kleine ankers door alle verhalen lopen, zoals de hoed van Albert Ross, de roze satijnen stoel van Betty, het horloge van vader Feathers. Er zijn locaties die terugkomen, waar de personages zonder dat ze het weten gemeenschappelijke herinneringen aan hebben, zoals Malta, het huis in de Donheads, het hotel in Yarm, het kustplaatsje Herringfleet (oh, dat is pas in deel 3). Elke keer bladerde ik terug (het korte-termijn-geheugen lijdt onder preT) om te zien wat er toen ook weer gebeurd was. De archeologische opgraving is af en toe flink verstoord, aardlagen zijn door elkaar heen gemixt, en steeds geeft een andere archeoloog er een andere duiding aan.
Memory tells all of us lies, zo schrijft Veneering op een ansichtkaart aan Edward. (dl2, p185).

Deel 2 bestrijkt dezelfde tijd als deel 1. We lezen over de jeugd van Betty, over wat er precies gespeeld heeft tussen haar en Veneering, hoe zij en Edward elkaar hebben leren kennen … Hoe zij is geworden wie ze werd, hoe slecht de communicatie was tussen Edward en haar, en hoe en waarom ze dood ging.

In deel 3 krijgen we eindelijk te horen waar Veneering vandaan komt. Zijn achtergrond is Dickensiaans, dat kan ook niet anders met zo'n naam. Net als zijn zoon Harry ontloopt hij door een wonderbaarlijk toeval een wisse dood, en daardoor verandert zijn hele leven.

Last Friends begint als Edward en Terry dood zijn. Ze krijgen allebei een mooie herdenkingsceremonie, waar veel oude bekenden elkaar ontmoeten en hun vermoedens over van alles uitspreken. In het huis van Veneering in de Donheads (hij en Edward komen op hun oude dag naast elkaar te wonen) woont inmiddels een jong gezin, dat zich uiteindelijk over de oude, warrige Dulcie onfermt.
Dan gaan we terug in de tijd, naar 1937, en de jeugd van Terry in het kustplaatsje Herringfleet.
Het is zó'n ander milieu dan dat van Edward en Betty, ik ben zó benieuwd of Gardam daar zelf ook door verrast werd.
Ik kan me niet herinneren dat we in deel 1 of 2 ook maar de geringste aanwijzing kregen over Florrie Benson die verleid werd door Anton Vanetski, de circusartiest uit Odessa. Wel zijn we eerder in Herringfleet geweest: een van de achternichtjes met wie Edward in dat vreselijke pleeggezin woonde, woont daar. Edward zoekt haar op, in deel 1.

Het blijkt dat Fred Fiscal-Smith de Terry van destijds heeft gekend. Hoofdstuk 17 begint zo:
Old Filth, Terry Veneering, Fred Fiscal-Smith. Two accounted for, life completed. And in the shadows, like a little enigmatic scarecrow, Fiscal-Smith, born to be a background figure. (p103)
Het is bijna of Gardam zichzelf bewust afvraagt hoe romanpersonages werken.

De hele trilogie gaat over zóveel dat je hem moeiteloos ieder jaar opnieuw kunt lezen. Hij geeft een tijdsbeeld, hij geeft weer hoe herinneringen werken, hoe communicatie (niet) werkt, hoe bepaalde plekken wemelen van gebeurtenissen, hoe geschiedenis blijft en verdwijnt, en hoe schrijven werkt. Of kán werken, in de handen van een kunstenaar.

Geplaatst in lezen, recensies, schrijven | Getagged , | 2 Reacties

consolations 9 – crisis

Ik schreef al over mijn bijlmoordenaartje en de therapie die ik volg om hem zijn agressieve mondje te snoeren. Thuis moet ik ook oefeningen doen. Zo uit het boek lukt dat van geen kanten, maar ik heb op Youtube gelukkig wat meditaties gevonden die mij bij de hand nemen.
Het is een wonderlijke methode en het is wonderlijk wat er gebeurt. Ik moet de scène met het bijlmoordenaartje de ruimte geven. Hem onderzoeken alsof ik een wetenschapper ben die zoiets nog nooit gezien heeft. Wat zie ik? Hoe voelt het? Hoe ruikt het? Is het groter dan ik, of kleiner? Waar in het lichaam bevindt het zich? Hoe ziet het eruit?
Een koud meer, zag ik. Bevroren. IJsschotsen en rotsen rondom, maar ook een waterval.
En dat werd een collage, met als basis een stuk papier met een grootschalig craquelé erop afgedrukt.
Ik scheurde meren en watervallen en rotsen.
Ik naaide ze aan elkaar met bijpassend garen.
Ik schoof wat kleurige strookjes onder de steken.

En bij David Whyte vond ik de woorden.

But perhaps, this dark night could be more accurately described as the meeting of two immense storm fronts, the squally vulnerable edge between what overwhelms human beings from the inside and what overpowers them from the outside.
[…]
a rehearsal in fact for the act of dying, a place where inside and outside can reverse and flow with no fixed form.

Geplaatst in autobio, creatief | Getagged , | Een reactie plaatsen

show, don’t tell

"Een verhaal komt pas echt tot leven wanneer meerdere zintuigen worden geactiveerd bij de lezer. Maar hoe doe je dat? In het komende nummer van Schrijven Magazine lees je er alles over. Wij geven alvast een voorproefje." Zo twitterde Schrijvenonline vanmorgen.
Zouden ze nog iets bijzonders te vertellen hebben? Nieuwsgierig klikte ik het artikel aan.

De eerste "techniek" die ze aanbevelen om zintuiglijker te schrijven is "show, don't tell."
(Daar heb ik zelf nog een mooi stukje over geschreven trouwens.)

Als voorbeeld van "tell" geven ze het volgende:
De jongeman liep naar de bar en bestelde wat te drinken. Hij nam er een slok van en keek vervolgens op zijn horloge.

Stilistisch niet fraai. We zitten hier in het perspectief van een verteller. Dat kan een alwetende verteller zijn, die het hele café overziet. "Twee meisjes zaten opgewonden te fluisteren. Een oude man staarde in zijn jeneverglaasje. Er kwam een jongeman binnen. Hij liep naar de bar en bestelde iets te drinken. Hij nam een slok en keek op zijn horloge."

Is dit "tell"? Of doet de verbeeldingskracht van de lezer voldoende om deze scène van beeld, geluid en bierlucht te voorzien?

Het kan ook een personale verteller zijn. Iemand die op een jongeman wacht. Hij weet alleen niet zeker wie het is. "De jongeman liep naar de bar en bestelde iets te drinken. Hij nam een slok en keek op zijn horloge. Toen ontmoetten zijn ogen de mijne."

Is dit "tell"? Als de schrijver alleen wil laten zien wat er gebeurt, is het net zo goed "show".

Het verbeterde voorbeeld dat ze bij schrijvenonline geven, luidt aldus:

De knappe jongeman streek onzeker door zijn donkere haardos heen en liep toen naar de verlichte bar met design stoelen waar hij een martini bestelde. Langzaam nam hij een slok van het door ijsklontjes gekoelde drankje en keek vervolgens ongeduldig op zijn goudkleurige rolex.

Dit zou dan "show" moeten zijn.
Maar het is natuurlijk allemaal "tell".

De schrijver vertelt ons dat het een 'knappe' jongeman is (wat echt helemaal niets zegt over zijn uiterlijk), die 'onzeker' door zijn haardos heenstrijkt. (Heenstrijkt?) Levert dat een beeld op? Of is het ook gewoon een mededeling?
De verlichte bar met design stoelen? Een bar met stoelen? En welk design precies? Zegt dat niet louter en alleen iets over de schrijver, dat die een bepaald soort meubels als 'design' aanduidt?
Hij bestelt een martini. Volgens mij zit die in zo'n wijd uitlopend glas met een prikkertje met een olijfje eraan. En wordt zeker niet 'door ijsklontjes gekoeld.'
Hij kijkt 'ongeduldig' op zijn horloge. Waar zien we dat aan?
En het horloge is een goudkleurige rolex. Zijn die er überhaupt? Zijn er niet alleen echt gouden rolexen? En wat doet het met onze zintuigen dat we meegedeeld krijgen dat hij die draagt? Helemaal niks, toch?

Ik ben al lang niet meer op Schrijven Magazine geabonneerd. Maar ze zijn nog steeds het grootste schrijfblad in Nederland. Dat is een hele verantwoordelijkheid. Dat moet je beginnende schrijvers niet met zulke aperte onzin opzadelen.

Wil je een zinnig artikel lezen over Schrijven met alle Zintuigen? Klik dan hier.

Geplaatst in schrijven | Getagged | 18 Reacties