Jane Gardam – God on the Rocks

Als ik het even niet meer weet, qua lezerij, pak ik Jane Gardam. Zij stelt werkelijk nooit teleur.
Het boek God on the Rocks is van 1978, het is recentelijk vertaald als Op de Klippen.
Het verhaal wordt op bol.com goed samengevat, maar misschien is het beter om zonder voorkennis in het boek te duiken en je te laten meeslepen in een hete zomer halverwege de jaren dertig, waarin alles verandert voor de achtjarige Margaret, vroegwijs en zeer bijbelvast kind uit een zwaar vroom gezin.

Ik heb weer regelmatig naar adem gehapt van bewondering. Ik heb ook ontzettend gelachen, ik heb aan andere boeken gedacht zoals de Geheime Tuin en The Children's Book, ik heb aan Virgina Woolf gedacht die schrijft dat je als schrijver een grot moet uitgraven achter je personages.

Margaret heeft pas een broertje gekregen, en omdat moeder haar ook iets leuks gunt, mag ze met voluptueus dienstmeisje Lydia iedere woensdag een uitstapje maken. Ze gaan naar het strand, en daarna het bos in.
"Lydia lay down on her side under the tree like a range of quiet hills."
Vloeit zo'n zin Gardam uit de pen of heeft ze daar 's nachts op liggen broeden?
De stijl in de eerste hoofdstukken is af en toe bijna die van een schoolopstel, wat goed past bij de steile, nuchtere Margaret.

Haar moeder, Elinor, wordt een beetje gek van het thuiszitten met de baby, en ze gaan op theevisite bij Charles en Binkie. Ze moeten niet te vroeg komen, want "Binkie always changes in the afternoons. (From what? Into what? Spiders? Fairies? Serpents?)"
Met deze theevisite zal alles veranderen.

Alle personages hebben enorme grotten achter zich – ik zie dat echt zo voor me, ze staan sereen glimlachend voor de opening, en niemand weet wat er zich in de vochtige duisternis daarachter afspeelt. Eigenlijk is dat altijd waar Gardam over schrijft: over het geheime innerlijke leven van mensen, waarvan wij als lezer een glimp mogen opvangen om voor altijd een groot mededogen te voelen, al was het maar omdat ze het allemaal alleen moeten dragen. Zoals Binkie het uitdrukt: "And nobody knows … what it costs to live the life I live."

Het lijkt ook een handelsmerk van Gardam om een laatste hoofdstuk toe te voegen waarin sommige raadsels ontraadseld worden maar andere worden toegevoegd, uit het zicht van de personages, in het vage zicht van de lezer. Waarbij het hart van de lezer een beetje breekt.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 2 Reacties

verhaspeld in 2019

Schrijverkens en andere taalvrienden,

Wat stuitte de Tweelingparadox mij tegen de zere borst. Nu loop ik de kans dat jullie niet opgelaten zijn dat ik deze cd zo blauw draai, en daarvoor vraag ik vergevenis. Maar fouten in boeken zijn scheer en inslag, er is overal poep aan de knikker, en we moeten ons beramen op tegenstappen.

Het is vreselijk hoe het redactiewerk bij uitgeverijen is uitgekalfd, dat valt niet te legimiteren. We moeten dat over de kaak stellen en niet langer laten getijen.

De voornamelijkste reden is natuurlijk dat er veel geld mee bemoeid is. Geen redacteur legt nog de woorden op een gouden schaaltje. Hun werk is nu eenmaal een hap uit de rib.

Verder vermoed ik dat in het onderwijs het kind met het waswater weggewassen wordt. Niet voor niets nemen taalfouten een steeds hogere toevlucht, ook in de media. Daar kan ik u boekdelen over vertellen. Ik voel me bijna ongewennig als ik een gil sla, hier in mijn mooie stolpje, zo val ik buiten de toon.

Toch moeten wij de armen ineenslaan, schrijverkens. Dwars tegen de klippen in moeten wij deze onrusten tegengaan. We moeten aan de billetjes hangen van goede sprekers en schrijvers, alsof ze het heilige schrift zijn. We moeten afgeven tegen berekenbare uitgevers die fouten in de hand spelen. We moeten de ANS en de Van Dale in een perplex kistje bewaren en zonder plankenvrees ons doopceel legen. Wij moeten ons uitgroeien tot taalbewaarders, en dagelijks goede stappen in de richting zetten door af te geven tegen alle bestandsdelen van deze misstanden, liefst in een vorm waar niemand aan kan tippelen. Mensen moeten van hogen huize komen om uit ons een slaatje te trekken.

Een foutloze taaltoekomst ligt in het vooruitschiet!

Nu ben ik uitgevloerd. Ik hoop maar dat ik vrijgewaard blijf van psychiatoren.

Geplaatst in schrijven | Getagged | 13 Reacties

Susan Marletta-Hart – Leven met Hooggevoeligheid

Op de 100 vragen HSP-test scoorde ik 72,75%, net niet genoeg om hooggevoelig te heten. Toch herkende ik veel in het boek Leven met Hooggevoeligheid: van opgave naar gave van Susan Marletta-Hart.

Je schijnt hooggevoelig geboren te worden, en juist dat herken ik niet, al had ik wel last van het ga-maar-met-die-kindjes-spelen-syndroom, en een gruwelijke hekel aan nat zoenende tantes. Misschien heb ik al jong mijn ware zelf leren verstoppen, ik herinner me dat ik in een groep vreemde kinderen (op een vakantiepark) zei dat ik op de havo zat omdat ik dacht dat ze me als gymnasiast niet zouden accepteren. Dertien was ik. Op de lagere school ben ik voor mijn gevoel altijd mezelf geweest. Waarom het toen veranderde?

De zinnen die ik heb gehighlight gaan er vooral over dat je mág zijn hoe je bent, dat je mág vragen om wat je nodig hebt, dat je daar recht op hebt. Altijd gedacht dat ik me moest aanpassen terwille van de ander, altijd gevoeld dat ik anders was, afwijkend. De wensen van het eigen lichaam negeren, niet durven zeggen dat ik allergisch ben omdat die ander speciaal zo'n heerlijke taart heeft gebakken. Niet veeleisend durven zijn, niet door de mand van de normaliteit willen vallen.

"Alles wat ik ben en doe is altijd volkomen goed" las ik, en ik schreef erbij: poeh, daar kan ik wel van huilen. "Is er een verbod dat zegt dat jij je eigen voorkeur niet mag uitspreken?" Nou en of, dat is er altijd geweest. Van de inrichting van mijn kamer tot het gebruik van mijn tas.
"Doordring jezelf van het feit dat jij bepaalde basisrechten hebt, zoals het recht prettig en gelukkig te leven en het recht om nee te zeggen." Ook dat gevoel heb ik nooit gehad. Ik moest dankbaar zijn, alsof ik het juist níet verdiende.

Dus al met al een boek dat me er weer eens aan herinnerde hoeveel ik te leren heb, dat blijft een doorlopend proces.

Geplaatst in autobio, recensies | Getagged , | 3 Reacties

De Tweelingparadox – Nowelle Barnhoorn (2)

Een van de reacties onder mijn bespreking van De Tweelingparadox van Nowelle Barnhoorn – van toen ik halverwege het boek was – zette mij ertoe aan om over verschillende dingen na te denken. Dingen die allemaal belangrijk zijn voor schrijvers.
De vraag was, of de geconstateerde fouten zijn toe te schrijven aan luiheid van de schrijver. Iemand op Goodreads vond dat ik de uitgeverij hierop moest wijzen.
Waar ligt het aan?

Nog even die fouten op een rijtje. Het meest in het oog lopen natuurlijk de anachronismen.

• Op een fuif van de tweede klas middelbare school, ca. 1996, mag Mathis de spiegelreflex van de concierge lenen. De man bekijkt de foto's "door met zijn grove nicotingevingers op het schermpje in en uit te zoomen." Ik kreeg mijn eerste digitale camera in 2001, die kostte toen dik 700 dollar en een touch screen had hij zeker niet. Dat heeft mijn casio uit 2010 nog niet eens.

• Mathis vraagt Elvira verkering via MSN. Dat heeft bestaan van 2000-2006, en Mathis is op dat moment echt nog geen 18.

• Na het eindexamen vertrekt het meisje naar Angola voor vrijwilligerswerk. Mathis gaat in Utrecht studeren. Het is inmiddels vermoedelijk 2001. Op zijn zolderkamer gaat hij skypen met Elvira in Angola. Skype begon pas in 2003. In Angola had het internet een dekkingsgraad van 3%.
Ook bestudeert hij het Hyvesprofiel van Elvira. Hyves begon pas in 2004.

• Als Mathis besluit om ook naar Angola te gaan, boekt hij een ticket online en hop, een dag later is hij in Luanda. Zonder visum. Zonder inentingen.
Hij gaat daar foto's maken met de analoge camera (het staat er met zoveel woorden) die hij zichzelf cadeau had gedaan voor zijn havodiploma. Vervolgens gaat hij naar een internetcafé, waar hij de foto's laadt en naar broer Thomas mailt.
Schat. In een analoge camera zit een film die ontwikkeld moet worden. En trouwens: in die tijd duurde het een half uur voor je 1 foto had verstuurd. Laat staan meerdere, vanuit Angola.
En die boulevard met die kleine palmboompjes, was die er al in 2001? Of koos je gewoon de eerste foto die je zag toen je Luanda intikte?

Dan ben je dus als schrijver lui. Je verzint een verhaal als een kind, je denkt dat het waar is als je de woorden opschrijft. Maar je weet niets van fotografie, je weet niets van Angola, je neemt geen enkele moeite om de lezer binnen te laten in je huis. Je denkt dat toverlantaarnplaatjes genoeg zijn.

Dan gaat Mathis verder met zijn studie in Utrecht. Hij gaat als een beest tekeer met de meisjes, en heeft verschillende baantjes in kroegen in de binnenstad. Waar we verder helemaal niets over horen. Hij krijgt verkering met Nele, en gaat met haar samenwonen in een appartement in de buurt van het Vondelpark.
Wááát?
Terugbladeren, wanneer zijn ze dan verhuisd?
Nou, nooit. Maar klinkt te gek, denkt de luie schrijver. Een beetje artistiek personage woont bij het Vondelpark, maakt niet uit wat het kost, maakt niet uit in welke stad het ook weer was.

En dat is nog zoiets. Ze hebben het niet breed, Mathis en Thomas en hun moeder. Toch gaan ze naar álle musicals (waren er in de jaren '90 eigenlijk al veel musicals in Nederland?). Thomas heeft wel een computer op zijn kamer, waarop hij "geinige kattenfilmpjes" kijkt. In 1997. Ik weet niet hoor, toen moest je toch inbellen met een modem, werd dat niet veel te duur? En waren er toen al zoveel geinige kattenfilmpjes?

Culinair onderlegd is Barnhoorn ook al niet. Als Mathis thuiskomt uit Angola, heeft zijn moeder lasagne gemaakt. Van zelfgemaakt bladerdeeg. Later eet hij eens bij Thomas, ze eten boerenkool met worst, maar als Thomas vreselijk moet lachen vliegen de stukjes gehaktbal door de lucht. Theewater opzetten en koffiedrinken, een klassieke continuïteitsfout.

Ondanks dat hij op school nooit een flikker uitvoerde, wordt Mathis toch zomaar een flitsende modefotograaf. Aan niets in het verhaal merken we dat hij fotograaf is, behalve dat hij steeds zegt dat hij foto's maakt. Het personage is gewoon van bordkarton.

In de allereerste regel had ik het woord "je" omcirkeld. "Ik wilde je iets over mijzelf vertellen, totdat ik beseft dat dat niet kan zonder over mijn broer te vertellen, over Thomas, en dat is iets wat me, ook nu nog, eigenlijk hoe langer hoe meer, moeite kost."
Dat kan een leuke perspectieftruc zijn, mits goed volgehouden. Het houdt de lezer bij de les, want wie is die "je"? Daar komen we uiteindelijk achter. En hoe. Mathis is in Barcelona. Het "je"-personage vertelt. Maar het is het ik-personage (Mathis) die dat eigenlijk vertelt. Dus bijna drie bladzijden lang vertelt "ik" aan "je" wat "je" aan "ik" vertelde. Snappen we het nog? "Je vertelde dat je was opgegroeid in … Jij bleef stil, ook toen je al een tiener was. Na … volgde nog een reeks van relaties met mannen … " Dat is toch een volslagen onlogische vertelsituatie?

Mathis gaat zich bedrinken en vervolgens kotsen in een duinpan met helmgras. Ik ben nooit in Barcelona geweest, maar zie alleen van die stranden met flats erachter, en een website over een project waar ze duinen aanleggen.

Ik begrijp niet hoe het kan dat alle recensenten dit soort dingen over het hoofd zien. Kennelijk is het met verhalen over gehandicapten net zoals met verhalen over de holocaust 1 - 2 - alles is geoorloofd want zielig.
En ja, hoe het leven van de spastische Thomas verloopt, is goed getekend. Maar ben je het niet juist aan zó'n personage verplicht alle onvolmaaktheden in je verhaal weg te halen?
Zijn redacteuren daartoe ook niet verplicht? Recensenten? Stichting Literatuurclubs Drenthe?

Geplaatst in recensies, schrijven | Getagged , | 4 Reacties

ik erger me dood

We lezen De Tweelingparadox van Nowelle Barnhoorn met de leesclub, onder begeleiding van de leeswijzer van de Stichting Literatuurclubs Drenthe.

"Mathis, de verteller, is een knappe en succesvolle fotograaf die de hele wereld afreist. Elke keer als hij thuis, in Friesland, komt, wordt hij geconfronteerd met de spiegel die daar altijd op hem wacht: zijn tweelingbroer Thomas die zes minuten na hem geboren is en door zuurstoftekort meervoudig gehandicapt en spastisch is."

Ik ben nu halverwege. Het verhaal kabbelt voort, zonder veel urgentie, zonder een story question ook (of het moest zijn dat we willen weten wie die "je" is tot wie de ik-verteller zich richt), maar het leest wel plezierig, en de relatie tussen beide broers wordt goed getekend.
Toch verschijnt al vroeg het eerste barstje in mijn vrijwillige opschorting van ongeloof.

De broers zijn geboren in 1982, Mathis beschrijft een foto uit 1984 van zijn moeder met de wandelwagen. Zij is gekleed in een pompoenkleurige jumpsuit met een gouden riem om haar middel. Ik weet denk ik wel zeker dat zoiets na de seventies niet meer gedragen werd. Maar goed, zij is een artistiekig typje, dus wie weet.

Dan beschrijft Barnhoorn een fuif van de tweede klas middelbare school. 1996, schat ik dus. Mathis mag de spiegelreflex van de concierge lenen. De man bekijkt de foto's "door met zijn grove nicotingevingers op het schermpje in en uit te zoomen." Ik kreeg mijn eerste digitale camera in 2001, die kostte toen dik 700 dollar en een touch screen had hij zeker niet. Dat heeft mijn casio uit 2010 nog niet eens.

De vriend van Mathis, Ilmer, gaat naar de mavo met theoretische leerweg. Een concept dat pas in 1999 werd ingevoerd.

De moeder heeft voor zover ik kan nagaan geen werk, ze wonen in een sociale huurwoning, maar Thomas heeft wel een computer op zijn kamer, waarop hij "geinige kattenfilmpjes" kijkt. In 1997. Ik weet niet hoor, toen moest je toch inbellen met een modem, werd dat niet veel te duur? En waren er toen al zoveel geinige kattenfilmpjes? Ook gaan ze heel vaak naar musicals in de schouwburg. Behoorlijk kostbaar voor een bijstandsgezin, en waren er in de jaren '90 eigenlijk al veel musicals in Nederland?

De jongens wonen vanaf hun geboorte in een dorp in Friesland. Hun alleenstaande moeder verhuisde daarheen omdat oma daar woonde. Toch zegt Mathis nog steeds dingen over "dat Friese accent" alsof hij pas uit de Randstad is verhuisd. Hij vindt het Friese accent van een meisje zo sexy, dat hij haar verkering vraagt via MSN. Dat heeft bestaan van 2000-2006, en Thomas is op dat moment echt nog geen 18.

Na het eindexamen vertrekt het meisje naar Angola voor vrijwilligerswerk. Mathis gaat in Utrecht studeren. Het is inmiddels vermoedelijk 2001. Op zijn zolderkamer gaat hij skypen met Elvira in Angola. Skype begon pas in 2003. In Angola had het internet een dekkingsgraad van 3%.
Ook bestudeert hij het Hyvesprofiel van Elvira. Hyves begon pas in 2004.
Hij besluit ook naar Angola te gaan. Hij boekt een ticket online en hop, een dag later is hij in Luanda.
Zonder visum. Zonder inentingen.

Nog 140 bladzijden voor de boeg. Alle recensies van dit boek zijn zó lovend. Is er dan niemand die een beetje oplet?

toevoeging dd 261119: deze bespreking beter uitgewerkt en over het hele boek

Geplaatst in recensies, schrijven | Getagged , | 13 Reacties

Rachel Cusk & Anna Enquist – Van der Leeuw-lezing 2019

Rachel Cusk & Anna Enquist
Late Work: the Power of the Mature Female Writer and Artist
Van der Leeuw-lezing – 22 nov. 2019 – Martinikerk, Groningen

De reactie van een vriendin op de Van der Leeuw-lezing van Rachel Cusk deed me opeens beseffen waarom ik niet zoveel kon met haar woorden.
Een kennis had tegen Cusk gezegd, over het moederschap: Ik wil ze verlaten voor ze mij verlaten.
Dat is goed voor jezelf zorgen, reageerde die vriendin.

Tijdens het douchen en stofzuigen liet ik het in me omgaan. Ik heb nooit, werkelijk nooit 1 seconde het gevoel gehad dat ik me opofferde, in het moeder-zijn. Ik denk juist dat ik me in die jaren heb ontwikkeld tot een veel completer mens, en ook een mens die dingen kon waarvan vroeger werd gezegd: oh, daar ben jij niet goed in. Vooral met kleine kinderen was ik niet goed, dat was een vaststaand feit.
Terwijl kindeke en ik zo vreedzaam samenleefden! Ik schreef mijn stukken, zij lego-de aan mijn voeten. Ik deed boodschappen ("bootsjapatten") en zij wees me wat we nodig hadden. Zij klom in bomen, ik hield haar in het oog terwijl ik werkte aan mijn boek.
Dat ze uit huis ging was vanzelfsprekend, zelf was ik ook met 18 jaar op kamers gegaan. Vond ik het ongezellig? Zeker. Voelde ik me opeens een aan-de-kant-gezet onwaardig vrouwmens? Natuurlijk niet!

Iedere vrouw zal het natuurlijk anders ervaren. Maar ik besefte daar tijdens het stofzuigen – hoe toepasselijk – opeens: het is een patriarchale notie, waar Cusk in mee gaat. Dat je om te scheppen vrij moet zijn van dergelijke kooiende rollen. Als voorbeeld noemde zij een Deense schrijfster die een avond uit eten ging met haar uitgever, en werd thuisgehaald door haar echtgenoot om voor de kinderen te zorgen, terwijl Evelyn Waugh – ook aan tafel – juist naar Denemarken was gevlucht omdat zijn kinderen thuis waren van kostschool. Geméén!

Omdat ik morgen een schrijfcoachgesprek heb met een Artist's Way cursist, zit ik mijn eigen cursusmaterial weer eens door te lezen. Welke vaststaande noties over het kunstenaarschap heb jij altijd voor waar aangenomen? Dat je alleen ongehinderd door wat dan ook iets kunt maken wat de moeite waard is? Wie bepaalt dat dan? Degene die een dergelijke notie als waarheid propageert? De Grote Kunstenaar die zich lekker door vrouwtjelief laat vertroetelen?

Anna Enquist hield als co-referent een kortere lezing over hetzelfde onderwerp. Zij wees er vooral op dat je je bewust moet zijn van de kooien waar je door "het fijnstof van de sociale discriminatie" in beland bent. Dat je in gesprek moet gaan met jezelf: wat vind ík? Wat is me aangepraat, wat heb ik geïnternaliseerd? (Juist dat zijn dingen waar je met The Artist's Way mee aan de gang gaat.)

Ik vond het jammer dat beide sprekers het moederschap als belangrijkste oorzaak van het gebrek aan vrouwelijke autonomie gebruikten. Die oorzaak is veel meer gelegen in het nog altijd maatgevende oordeel van mannen. Zoals Maxim Februari het formuleerde: "In de literatuur voel je de minachting van mannelijke schrijvers voor zowel hun vrouwelijke collega's als voor hun lezers wanneer dat vrouwen van boven de vijftig zijn."
Des te verbijsterender vind ik het – achteraf – dat Cusk toch meegaat in het idee dat het moederschap, en sowieso de hele vrouwelijke lichamelijkheid, het kunstenaarschap in de weg zit. Dat kan alleen als je kunst definieert naar patriarchale maatstaven.

Ik citeer Ursula Le Guin nog maar eens:

Her work, I really think her work
is finding what her real work is
and doing it,
her work, her own work,
her being human,
her being in the world
.

Zo, en nu eerst het stofzuigen afmaken. Ik moet die cursist wel een beetje netjes ontvangen.

Geplaatst in kunst, schrijven, tijdgeest | Getagged , , , , , | 2 Reacties

William Kent Krueger – Iron Lake

Dit boek las ik op aanraden van een vriendin die mijn licht wanhopige review van Gallows View gelezen had. Want wat kan het tussen het literaire geweld van leesclubbboeken en het soms tegenvallende geweld van recensieboeken een zegen zijn om een meeslepende thriller te lezen!
Toen ik in de omschrijving las dat het over Indianen ging, was ik al meteen verkocht.

En wat heb ik genoten! Het verhaal was echt reuze spannend, de personages werden echte levende mensen met wie je ging meeleven (of wie je ging haten, of aan wie je ging twijfelen), en de omgeving – een Indianenreservaat in Minnesota, hartje winter, sneeuwstormen en Noorderlicht – maakte dat het las als een film. De Indiaanse mystiek, de Windigo als doodaankondiger, gaf het nog iets extra's. Veel van de politieke problemen die in het stadje Aurora spelen, zijn nog altijd actueel (het boek is van 1998).
Het einde ontroerde me, het sloot ook prachtig rond aan op het begin, en ik ging meteen op zoek naar deel twee van de serie van 17!

Was er dan helemaal niets op dit boek aan te merken?
Zeker wel. De schrijfjuf registreert het allemaal. De clichémanier waarop ieder nieuw personage wordt geïntroduceerd, met leeftijd, kleding, kapsel (iets wat totaal niet blijft hangen). De techniek om in elke spannende speurscène een schrikeffect in te bouwen (die overigens net zo goed werken als in een film).
Maar het maakte niet uit! Als het verhaal belangwekkend is, de personages rond en meeleefbaar, de stijl nergens stoort of zich op de voorgrond dringt maar uiterst effectief de omgeving en de gebeurtenissen schildert, dan is dat genoeg. Uiteindelijk draait alles om de onverstoorde fictionele droom.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 5 Reacties

Frija’s dagboek (22)

Vandaag heb ik de vrouw al twee jaar! En ze begint steeds beter te gehoorzamen. Ik doe het natuurlijk allemaal voor haar bestwil, dat snappen jullie wel. Vooral 's morgens, dan gaat ze direct met de vingers op de computer, terwijl ze veel beter in beweging kan blijven. Dus dan mauw ik een paar keer bij de balkondeur, dan staat ze altijd heel gehoorzaam op om hem open te doen. Dan kan ik altijd nog zien of ik echt naar buiten wil natuurlijk.

En ik heb nog iets slims gedaan! Weten jullie nog wel dat ik maar twee handjes brokjes mocht? En de hele dag zat te hongerlappen? Toen heb ik net gedaan of ik weer ziek werd. Of misschien was ik ook echt een beetje ziek, in elk geval was de vrouw heel bezorgd. Moest ik weer in die nare bak met dat hekje, en weer naar de dokter die overal aan me voelde. Ik kreeg wel een lekker drankje, maar dat was maar 1 piepslokje, dat schoot nog niet erg op. Toen moesten we nog een keer naar de dokter, en die gaf aan de vrouw een Blikje mee. Ik wist niet wat dat was, een Blikje. Maar opeens rook ik zóiets lekkers! Slobberdesmaksmak, opeens was eten weer fijn! Dat moesten we er maar in houden!
Ik knabbel wel af en toe op mijn brokjes, dat voelt ook lekker aan mijn tanden, maar Blikje krijg ik voortaan elke dag. Extra erbij, goed hè?

Verder vermaak ik me nog prima. Verinneweren is mijn lievelings, en mollen, en de vrouw aan het lachen maken met een koprol. En 's avonds komen de ligjes! Als de vrouw naar bed gaat, zit ik er al klaar voor! Dan pakt ze iets uit een laatje, en plotseling verschijnen er ligjes op de deuren en op het plafond, en ik moet er net zo van mekkeren als van volijkjes op het balkon. Ik kan héél hoog springen en toch krijg ik ze nooit te pakken. Het eindigt ermee dat ik met een grote zweefduik van de kast op het bed spring, en dan knuffelen wij nog even.

Geplaatst in autobio | Getagged | 13 Reacties

stille nacht

Het personeel van een winkel in York wordt knettergek van All I want for Christmas is You, en krijgt voortaan alleen nog traditionele Christmas Carols en kerstmuziek zoals de Notenkraker om de oren. Een pleidooi dus vóór traditionele kerstmuziek, hoe joodsgristelijk wil je het hebben.
Jullie weten wel dat kerstmis niet mijn favoriete feest is, maar van echte kerstliedjes word ik wel blij: King's Singers, Medieval Babes, noem maar op.
Kennelijk geldt dat ook voor Petra Stienen, die meteen enthousiast twitterde: goed idee! Een pleidooi dus vóór traditionele kerstmuziek.

Wat de creatieve geesten bij de Dagelijkse Standaard (hoe laag ligt die eigenlijk, bijna in Australië zou je denken) er niet van weerhield om een en ander als volgt te framen:
Petra Stienen wil kerstliedjes in winkels afschaffen! In Engeland wordt al geëxperimenteerd met dit beleid!

Oh, oh, wat buitelden de analfabete volgertjes over elkaar heen. War on Christmas, D66 moest dood ("gewoon door haar slaap schieten") en waar bemoeide ze zich mee en het kwam natuurlijk weer allemaal door de allochtonenknuffelaars.
Echt helemaal niemand kwam op het idee het originele artikel op te zoeken. Of op z'n minst zich af te vragen hoe een kerstgek land als Engeland ooit afstand zou willen doen van kerstliedjes, traditional of cheesy.

Een en ander kwam tot mij op Facebook. Iemand had het artikel van de DS geplaatst, zonder commentaar. Iemand die ik als mens waardeer en hoog heb zitten. Dan kan ik werkelijk niet anders dan hem wijzen op het feit dat hij hier meehelpt aan haatzaaierij die inhoudelijk 100% gelogen is.
Hij heeft het stukje uiteindelijk verwijderd. Ik lag in bed met koorts en hartkloppingen en tranen. Maar dat komt van de prednison, heb ik me laten vertellen. Omdat dat een zootje maakt van je adrenaline, komt alles veel stressvoller binnen.
Maar zwijgen is toch geen optie?

Geplaatst in tijdgeest | Getagged | 8 Reacties

Alice Hoffman – the world that we knew

En het begon zo mooi … In het Berlijn van 1941 wordt een joods meisje bijna verkracht door een soldaat. Hét teken voor haar moeder om Lea het land uit te werken. Maar hoe? Zelf kan ze niet weg vanwege haar bedlegerige moeder. De enige oplossing die ze ziet is: een golem. Een wezen gemaakt uit klei en water, dat als beschermer kan optreden. De rabbi wil niet, maar zijn dochter wel.

Het maken van de golem – die later in de vorm van een jonge vrouw – Ava - Lea zal begeleiden is een prachtige mystieke scène. Helemaal wat ik verwacht van Alice Hoffman, van wie ik pas nog het fantastische The Museum of Extraordinary Things las.

Ik wil dus niets liever dan mijn ongeloof opschorten, iets waar ik het al heel snel moeilijk mee heb. Ik herinner me nog die ijsberen bij Pullman (nu een fraaie tv-serie): ik wilde best geloven dat ze geharnaste vechters waren, maar niet dat ze op een noordpool zonder hout of gesteente of andere materialen een enorm paleis hadden gebouwd.

En zo verscheen hier het eerste scheurtje toen Lea en Ava bij de familie in Parijs terechtkwamen. Want opeens spreekt en verstaat het Duitse meisje Frans. Zo'n golem kan dat, zij spreekt ook met de dieren. Maar Lea zelf? Al hoe beeldschoon en buitengewoon intelligent ze ook is? Ik deed mijn best om het goed te praten voor mezelf, dit was vast onderdeel van het magisch-realistisch universum. Zó graag wilde ik het prachtig blijven vinden. (Ook de dochter van de rabbi spreekt zo goed Frans dat ze kan doorgaan voor een Française.)

Een aantal bladzijden verder begin ik me een beetje te ergeren aan de infodumps. Informatie regelrecht afkomstig uit geschiedenisboekjes, daar opgeschreven door de alwetende schrijver, temidden van personages die dat zelf niet kunnen weten (of in elk geval niet de afloop, of de precieze aantallen slachtoffers of zulk soort gegevens).

En op bladzij 124 schrijf ik in de kantlijn (ik lees recensieboeken altijd met het potlood in de hand): ik vind het opeens zo stijfjes. Onnozele zinnen ook. Ettie zit bij een jonge verzetsheld in de auto. "They drove for quite some time, Ettie in the passenger seat as they barreled down the road at a high speed." DUH! Natuurlijk zit ze op de passagiersstoel, en je kunt onmogelijk down a street barrelen met een slakkegangetje.

Ik begin me steeds meer te ergeren aan de geschiedenislesjes. Af en toe is er nog een kleine mooie scène, maar in feite is het een en-toen-en-toen-verhaal, de erg-heid van de gebeurtenissen moet maken dat wij het ook Heel Erg vinden. De vergelijking met Haar Naam was Sarah dringt zich op. Ik vind het zo erg dat ik me gewoon verdrietig voel. Hoe kan een zeer bewonderde schrijfster me zó in de steek laten?

Het is een recensieboek, dus het moet uit. Plus er zijn twee story questions waarop ik het antwoord wel wil weten: krijgen ze elkaar? (Lea en haar achter-achterneef Julien uit Parijs) En wat gebeurt er met Ava? Want als zo'n golem haar taak volbracht heeft, moet ze dood. Maar de ergernissen stapelen zich op.
- Julien krijgt op zijn vlucht koorts. 104 graden om precies te zijn, hij had vast een thermometer bij zich.
- Ze verstoppen zich ergens op een zolder. The attic was well hidden, up two flights of winding stairs. Ja, echt niemand zou daar een zolder verwachten.
- She walked in the mountains that surrounded the village in the evenings. Overdag geen berg te zien?
- Julien op de vlucht. Hele dag gemarcheerd zonder eten of drinken, toen ontsnapt. Vindt een beekje en slurpt gulzig. He hadn't had anything to drink all day and his thirst had taken a toll. You don't say!
- En helemaal kapot natuurlijk. His posture bent as he shivered so violenty he could hardly stand up straight. Gelukkig vindt hij een kippenhok. Eating those eggs, he knew he was alive.
- Iemand krijgt nieuws over een vermiste. Die is nog met het laatste konvooi uit Lyon gedeporteerd. Dertien dagen later zou Lyon bevrijd worden, deelt de schrijfster even mee voor extra meelijwekking.
- Lea en Ava op de vlucht. Gelukkig heeft Ava een gietijzeren pan meegenomen om onderweg champignonnetjes in te bakken.

Nu ik dit allemaal zo opschrijf, ben ik weer verdrietig. Hoffman zelf is door de mand gevallen, maar ook het hele systeem van boeken en uitgeverijen. Niemand kan het ook maar iets schelen als het geld toch wel binnenstroomt. Ik heb geprobeerd medestanders te vinden omdat ik altijd even aan mijn eigen oordeel begin te twijfelen tussen al die snikkende vijfsterren. Gelukkig vond ik deze zinnen:

But the rest of the time, when The World That We Knew is a historical novel about how four Jewish teenagers struggle to survive the Holocaust, it’s pedestrian.

As with many adventure novels, there are too many characters to keep track of. Even worse, the point of view switches frequently, sometimes in mid-paragraph.

The novel’s main weakness, however, is that Hoffman seems to get bored when she’s not writing about magic and just grabs the nearest cliché.

Geplaatst in recensies | Getagged , | 4 Reacties