gelukskind

Zo uit mijn hoofd ken ik geloof ik niet een gedicht van Ida Gerhard. Toch heb ik haar niet voor niets meegenomen. Even googelen. En oja. Zeven maal om de aarde.

ida 2015-11-01 09.14DE GESTORVENE

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Een gedicht dat ik leerde kennen tijdens de autobiolessen met mijn Dames. Zo'n verdriet te doorstaan, het is mij tot nu toe bespaard gebleven, heb dank. Ik heb wel geliefden verloren aan de dood, en ik zou ze graag nog eens spreken, vooral mijn moeder en mijn grootmoeders, en zelfs de moeders daarvoor. Maar goed beschouwd ben ik een gelukskind. Zou Ida Gerhardt daarover ook een gedicht hebben geschreven?

Dit bericht is geplaatst in autobiobibliografie met de tags . Bookmark de permalink.

2 Reacties op gelukskind

  1. Frans Duijf schreef:

    Haar levensgezellin, Marie van der Zeyde schreef over haar, interpreteerde volop haar werk. Het is niet waarschijnlijk dat de kinderloos gebleven Ida Gerhardt over een 'gelukskind' zal hebben geschreven. Zij was geen vrolijke vrouw, was gelovig, maar worstelde 'zwijgende met God' (Gedicht 'De schrijver', wat onmiskenbaar veel 'eigens zal bevatten). In 'Het verloren kind' schetste zij een zelfportret. Daarin is volgens Marie van der Zeyde het verloren kind Gerhardts 'alter ego, dat tegen de hardheid van het leven niet heeft opgekund'. Zij zal het echter terugvinden.
    Wel dichtte zij in 'Brief aan de grootouders' (uit de bundel 'De argelozen') over de ellende waarin een vroege dood iemand kan storten: 'Het kind, waarom wij vurig vroegen, / had éne dag zijn aardse staat./ Het sneeuwde al, toen wij het droegen / waar nu het kruis gekorven staat. / ik heb de akkers mogen ploegen. / De aarde draagt het winterzaad.' Of is in het gedicht de droge ‘zekerheid’ ingebakken, dat het kind op de jongste dag weer zal opstaan?
    Het gedicht 'Eerste verjaardag' kán als hoopvol worden gezien, mogelijk ook als somber. Het, eindigt aldus: 'k Zag zijn kleine baan / vannacht tussen de sterren staan.'
    Een gedicht als 'Het gebed' getuigt niet van veel vrolijkheid, integendeel, we zien angstige kinderen en een angstige vrouw: 'Drie maal per dag, naar vaste wetten, / nemen zij de eigen plaatsen in, / en gaan zij zich rond de tafel zetten; / van haat eendrachtig; het gezin. // De vader heeft het mes geslepen, de kinderen wachten, wit en stil. / De moeder houdt haar bord omgrepen / alsof zij het vergruizelen wil.' Volgens Marie van der Zeyde heeft de grootvader 'peet gestaan bij dit vers' en klopt 'de starheid en de levenshaat' van de grooptvader.
    Al even akelig is 'Klein grafmonument' waarin 'Dolle kervel, bitterzoet / 'overgroei van Hollands Lethe / hier heeft eens een kind gezeten, / vechtend om de laatste moed.' Met herhalingen van de beginregel (bitterzoet is vergiftig) eindigt het gedicht aldus: 'een kind, klein maar verbeten, / zich de dood at in het bloed.' Duidelijk is dat niemand naar dit kind heeft omgekeken en eenzaam strijdend ten onder ging.
    In de biografie ‘Dwars tegen de keer’ die Marie Koenen in 2014 publiceerde, stelt zij vast, dat haar gedichten vaak over kinderen gaan. ‘Vaak is er sprake van angstige, eenzelvige of anderszins kwetsbare kin deren.’ Hoe Ida Gerhardt over het gezin dacht, volgt genoegzaam uit haar dichtwerk Daar lijkt een ‘gelukskind’ niet in te passen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *