Oman – de eerste grote tocht (1/4)

Midden in deze woestijn klotste vroeger de zee. De zee is verdampt maar de schelpen bleven liggen, miljoenen jaren lang, langzaam zijn ze versteend, en nu liggen ze er nog, klaar om opgeraapt te worden.
We konden dan ook niet stoppen. Uren klauterden we rond op die rotsen in de woestijn bij Fahud. Af en toe slaakte een van ons vieren een kreet van verrukking en renden de overige drie naar dezelfde plek, om niet veel later ook zo’n verrukkelijk fossiel te vinden: een versteende oesterschelp, een stenen horentje, een gewezen slakkenhuis …
Ter ere van de Hemelvaart van de Profeet hadden we een vrije woensdag, die dus mooi aansloot op het weekend. Drie vrije dagen voor een tocht van elfhonderdvijftig kilometer, samen met Jeroen, een wat oudere collega van M, en zijn vrouw Betty. Woensdag om acht uur vertrokken we in onze four wheel-drives volgeladen met eten voor drie dagen, een koeltank met twintig liter drinkwater, een jerrycan met waswater, twee benzinetanks, kampeerspullen, gereedschap, een schep om de auto uit te kunnen graven, een bandenpomp …
Oman is zo groot als Duitsland, en er wonen slechts anderhalf miljoen (Omaanse) mensen. Vijfentachtig procent van het land is woestijn, dertien procent bestaat uit bergen, dus het was duidelijk dat we héél weinig dorpjes zouden tegenkomen onderweg, dat we letterlijk niets zouden kunnen kopen, dat we op alles voorbereid moesten zijn.
Jerrycans en koelboxen zaten met touwen vastgeketend zodat ze niet zouden omvallen door het hotsen en botsen op de graded roads. Jeroen en Betty hadden samen al eens een complete negendaagse Ronde van Oman gedaan en kenden alle klappen van de zweep. Je moet je terdege realiseren dat het niet zonder gevaar is om zomaar de woestijn in te rijden.
Om vanuit Muscat in het binnenland te komen, moeten we eerst het gebergte oversteken. Bij wijze van spreken dan. Vroeger was dat natuurlijk echt zo, ik heb oude foto's gezien van dappere mannen op ezels, op weg naar het Noorden. Tegenwoordig kunnen wij gewoon met de auto over het asfalt de bergen doorklieven - en dat bedoel ik vrij letterlijk, want de weg is smal en bochtig.
Als je eindelijk de bergen door bent, begint het grote Niets, de laagvlakte die het grootste deel van Oman en Saoedi-Arabië beslaat en die bestaat uit zand, zout, grind, wat lage rotspartijen, zand, een verdroogde struik, zand en hier en daar een kameel, kortom, de Woestijn. We sloegen af van het asfalt, holderdebolder de graded road op, en om een uur of één bereikten we Fahud, een olieveld in de woestijn, zo'n driehonderd kilometer naar het zuidwesten. De wegen naar de olievelden zijn heel goed onderhouden en verbazend goed te berijden als je eenmaal de slag te pakken hebt: goed hard doorsjezen dus, om min of meer over alle ribbels heen te vliegen. En kijk nu eens naar die enorme stofwolk achter je! Dat maakt het rijden in de woestijn tot een levensgevaarlijke bezigheid: wie in zo'n stofwolk verzeild raakt, ziet de neus van zijn eigen auto niet eens meer. Groot licht is verplicht in de woestijn. En ver achter de voorligger blijven, wij volgden Jeroen en Betty op een halve kilometer afstand, in de verte zagen we hun rookpluim wel.
Na de lunch - kip voor M, zoute stengels voor mij, zowat het enige dat ik lust momenteel - hebben we urenlang fossielen gezocht onder de rook van Fahud, tot het tijd werd om verder te rijden.

13-15 febr. 1991

Dit bericht is geplaatst in autobio met de tags . Bookmark de permalink.

2 Reacties op Oman – de eerste grote tocht (1/4)

  1. nana schreef:

    Volgens mij kan ik de foto's nog herinneren...maakte één diepe indruk op me...leuk om te volgen...

  2. Heldinne schreef:

    Ja? Heb ik zeker laten zien toen ik Harmke kwam showen?
    Kwam ook nog een brief van jou tegen met een foto van baby Vera erin!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *