een boodschap

We wilden iets vlaks en stevigs tussen de neergeklapte achterbank en de voorstoelen van de Jeep, zodat de laadruimte ook als bed kon dienen. Een plank. Even naar de Hubo.
Nee dus. Hier begint een zoektocht. Soms heeft iemand anders datzelfde gekocht, én onthouden waar dat winkeltje precies zat. Maar dan is het meestal uitverkocht voor het komende halfjaar.
Uithangborden boven winkeltjes delen mee Wie daar iets verkoopt (Sumail bin Ali Trading), maar niet Wat. Etalages zijn onbekend. Het gebrekkige Engels van de - altijd - Indiase kooplui maakt het niet eenvoudiger.
We wisten ongeveer waar de houthandels zaten. In het labyrinth van ongeplaveide stegen rondom Ruwi High Street heeft elke branche zijn eigen territorium. In "Honda Street" laat je de airco van de auto repareren. In een andere buurt vind je dubieuze koelkasten en vroegmiddeleeuwse tv's, weer ergens anders shopje na shopje volgestouwd met benodigdheden voor het primitievere loodgieterswerk. Meer dan loodsjes zijn het niet, denk aan een rijtje garages achter een blok eensgezinswoningen.
In de timmerbuurt waren de ondernemingen groter. We zetten de Jeep op de stoep - onzin. Voor de deur dan - slaat ook nergens op. We lieten de auto staan aan de kant van de stoffige zandweg en stapten een enorme loods binnen, waar houtgeur zich mengde met een giftige laklucht. Diverse meubelen in verschillende stadia van vervolmaking stonden door elkaar. Gedraaide poten, bewerkte profielen, alles wat in Nederland te duur wordt omdat het teveel tijd kost, wordt hier nog traditioneel vervaardigd. Tijd is hier geen geld, tijd kost niets en iedereen heeft het in overvloed. Tenslotte is er - Insjallah - morgen altijd weer een dag.
Wij werden met veel égards een lange, gammele ladder op geleid naar het kantoortje van de manager, een fraaie Sikh.
"Wij hoeven alleen maar een plank," zeiden wij.
"Do sit down," zei de tulband hartelijk, en snauwde een opdracht naar beneden. Geduldig lieten we ons zakken in de daar gefabriceerde stoelen. We kregen een fotoalbum onder onze neus. Wij maakten bewonderende geluiden, we herkenden een paar modellen van het PDO-meubilair. We moesten nog vertellen waar we vandaan kwamen en toen was de plank klaar. Nee, daar hoefden we heus niet voor te betalen, als we maar voortaan onze meubels daar bestelden.
Plank achterin, terug door het inmiddels duistere doolhof van zandweggetjes. Een enkel eettentje werpt neonschijnsel naar buiten, verder is het onverlicht. Daar wonen ze, al die honderdduizenden Indiase mannen, de werkmieren van Oman. Het woord slaven komt bij je op, maar zo is het niet. Ze werken op hun gemak, kalmpjes aan, ze hebben het wel heet maar dat zijn ze gewend, ze verdienen meer dan thuis en hebben meer te eten. Het is alleen in vergelijking met ons, dat hun leven zo gruwelijk lijkt. Zij hebben een lankmoedigheid die hen in staat stelt zo te leven, zonder protest, schijnbaar zonder opstandige gedachten. Ze kijken naar ons niet met jaloezie, maar met verbazing, verbijstering, zonder idee dat dat misschien niet zo hoort.

april 1991

Dit bericht is geplaatst in autobio met de tags . Bookmark de permalink.

1 Reactie op een boodschap

  1. adriaanhendriks schreef:

    Wat mooi om te lezen, zoveel jaren later. En die vroegmiddeleeuwse tv's zijn nu vast heel veel geld waard.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *