je levensdagen

En dan, op een dag, ben je al achtenzestig. Je belt een oude schoolvriendin, Karina. Haar verjaardag was je vergeten, maar je wilt haar alsnog feliciteren.
'Van harte,' zeg je, en vraagt hoe het gaat.
Zij zegt: 'Och,' en dat betekent zoveel als: we worden allemaal een dagje ouder.
Hoeveel dagen moet ik nog? denk je. Hoeveel dagen kan ik nog?
'Hoe is het bij jullie?' vraagt Karina.
Je ziet haar voor je. Hoe ze bij de telefoon zit, op een haastig door een zorgzame echtgenoot aangeschoven stoel. Ze heeft vast nog dezelfde tevreden ogen van vroeger. Je zegt: 'Och,' en dat betekent: vraag maar niets. Ze weet het immers.
Zij hoort de tranen in je stem en formuleert de vraag opnieuw, beter. 'Hoe is het met je, Loes?'
Je zegt: 'Ik kan niet meer.'
Zij vraagt: 'Wat is er gebeurd?'
Hoe vaak heeft ze die vraag niet gesteld? Op de ochtend na de bruiloft, toen je onder het mom van verse broodjes naar haar huis gerend was. Met haar dikke buik onder een geruit schortje met de vouwen van het strijken er nog in, deed ze open, trok je naar binnen, troostte je en zei niet: 'Ik heb je gewaarschuwd.' Ze liep met je mee naar de bakker, die toen nog op de hoek woonde en waar je een dropje mocht uitzoeken, ook als je groot was.
Je vertelde niet alles, daarvoor schaamde je je teveel. Lodewijk was een bijzondere man, als hij zei dat je alles verkeerd deed, had hij waarschijnlijk gelijk. Hij had gestudeerd, jij was pas na drie keer geslaagd voor je typediploma. Hij was mooi, jij droeg een dikke bril.
Je voelt dat je contactlenzen verschuiven op je tranen en antwoordt: 'Niets. Alles is nog hetzelfde. Het duurt al veertig jaar. Wil je op de receptie komen en ons feliciteren?'
Toen de kinderen geboren waren kon je niet meer weg. Je had je handen vol, en geen tijd om te kijken hoe laat de trein vertrok. Karina verhuisde met haar zorgzame Jan naar een beeldig huis in een lieflijk dorpje. Jullie zagen elkaar alleen nog op haar verjaardag. Die je dit jaar vergeten was. Bij jou kwam niemand graag op visite. Lodewijk was ongenaakbaar en ongenietbaar. Af en toe belde je, als Lodewijk naar zijn werk was.
'Wat is er gebeurd?' vroeg Karina dan. En je vertelde een gekuiste versie van de vernederingen, van zijn onberekenbare humeur, zijn ingebeelde kwalen. Je vertelde het met humor, omdat je met Karina vroeger zo kon lachen. Jullie jeugd, in de smalle straat met de donkergroene ijzeren hekjes om de voortuinen, leek wel één grote lachbui. In gebloemde of gestippelde jurken, met een strik op de rug en pofmouwtjes, zag je de twee vriendinnen tegen zo’n hekje hangen. Het was een zwart-witfoto die de werkelijke herinneringen overschaduwde met zijn lange zonnestralen.
Toen het huis leeg was en je weer tijd kreeg, gingen je ogen open. Je keek in de spiegel. De lege ogen in het verzakte gezicht ontnamen je alle moed. Van een trein wist je alleen nog dat je ervoor kon springen. De bijzondere man was een vreemde in je huis. Het was alleen niet jouw huis. Het was zijn huis. Werken kon hij niet meer. Zijn ingebeelde kwalen hadden hem ziek gemaakt.
Jan ging met pensioen. Als je Karina tegenwoordig belde, kreeg je hem soms aan de lijn. 'We zouden net boodschappen gaan doen,' zei hij steevast. Of: 'Het voetballen begint zo.' Dan hield Karina het kort en haar stem klonk zo neutraal als een blik beige verf.
‘Stil maar,’ zegt Karina. Je herinnert je hoe mooi jullie vroeger samen zongen, in het kleedhok in het zwembad. 'In ‘t groene dal, in ‘t stille dal' op twee stemmen, alle meisjes in het koude, schemerige schapenhok klapten. Dat was voor je Lodewijk leerde kennen. Hij zei dat je niet kon zingen. Hij hield niet van muziek. Oppervlakkig vermaak, zei hij.
Je vraagt: 'Wat moet ik doen?'
Je hoort een lepeltje in een kopje rinkelen. Haar man heeft haar thee gebracht. Die van jou ijsbeert woedend boven je hoofd en je wilt al lang niet meer weten waarom. Je bent koud en moe. Je bent oud.
'Waarom ga je niet scheiden?' zegt Karina. Je schrikt er van. Het is een woord dat uit haar mond klinkt als een vloek. Al deze jaren heeft ze het nooit uitgesproken.
'Waar moet ik dan van leven?' vraag je.
'A.O.W.' zegt ze.
Je denkt aan een klein huisje, waar je helemaal alleen zou mogen wonen. Vrij. Het is alsof je eindelijk toestemming gekregen hebt.
'Dat jij dat zegt,' zeg je verbaasd, en je hoort de levendige klank in je eigen stem.
'Och,' zegt ze. Het klinkt moe en koud. Je stelt het beeld van je vriendin aan de andere kant van de lijn een beetje bij. De stoel heeft ze zelf aangetrokken, met een voet om een poot. De thee had ze net zelf ingeschonken en ze roert doelloos in het koude restje. Haar man heeft de tv al aangezet en gebaart dat ze moet opschieten.
'Ik moet ophangen,' zegt ze. 'Jan wil het journaal zien.'
In gedachten heb je al een huisje. Met een logeerkamer.

Dit bericht is geplaatst in schrijven met de tags . Bookmark de permalink.

1 Reactie op je levensdagen

  1. Lia schreef:

    Mooi geschreven in ieder geval...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *